Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 18017 - Aanpassingen modaliteiten schenking en statuten burgerlijke maatschap Vlaamse Belastingdienst

VB 18017 - Aanpassingen modaliteiten schenking en statuten burgerlijke maatschap

Voorafgaande beslissing
Nummer
18017
Datum beslissing
16 april 2018
Publicatiedatum
4 mei 2018

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.7. VCF
  • art. 2.7.1.0.9. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvragers menen dat er op heden, vóór het stellen van de hierna beschreven voorgenomen verrichtingen, geen erfbelasting zal verschuldigd zijn op grond van art. 2.7.1.0.7 VCF, art. 2.7.1.0.9 VCF en art. 2.7.1.0.3,3° VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF noch op grond van welk ander artikel dan ook, bij het overlijden van de heer X en/of mevrouw Y op de waarde van de delen van de burgerlijke maatschap E dan wel op hetgeen ervoor in de plaats zou zijn gekomen of nog zou komen.

2. De aanvragers wensen evenwel zekerheid te bekomen in de lijn met hetgeen werd bevestigd in de voorafgaande beslissing met nr. 17019 d.d. 21 juni 2017 en zullen de hierna beschreven aanpassingen/verduidelijkingen doen.

3. De aanvraag strekt er toe te bevestigen dat er alleszins ná de voorgenomen verrichtingen geen erfbelasting meer zal zijn verschuldigd:

  • Op grond van art. 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF
  • Op grond van art. 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF
  • Op grond van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF
  • Op grond van eender welke andere bepaling?

II. Omschrijving van de verrichtingen

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

4. De aanvraag wordt ingediend door A, namens:

5. De heer X en mevrouw Y

6. Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren

II. B. Context en beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

7. De familie X-Y heeft in de periode 2007-2010 een aantal burgerlijke maatschappen opgericht waarvan de delen vervolgens werden geschonken aan de kinderen.

8. In 2014 werd ter vereenvoudiging geopteerd om één en ander te bundelen in één nieuwe burgerlijke maatschap E en de overige maatschappen te ontbinden. Bij die gelegenheid werd nog een bijkomende schenking doorgevoerd.

9. Hiernavolgend wordt eerst de historiek van het dossier geschetst om vervolgens te eindigen met de actuele situatie.

Historiek

10. In 2007 hebben de heer en mevrouw X-Y samen met hun kinderen de burgerlijke maatschap “K” opgericht.

11. In ruil voor hun inbreng hebben elk van de ouders de volle eigendom van 45 delen verworven van deze maatschap. De kinderen hebben bij oprichting elk 1 deel in volle eigendom verworven.

12. Deze maatschap werd opgericht voor een duur van 30 jaar (dus eindigend in 2037). De heer X werd aangeduid als statutaire zaakvoerder en mevrouw Y als opvolgende statutaire zaakvoerder.

13. Een kopie van de Statuten van de burgerlijke maatschap K wordt bijgevoegd.

14. Vervolgens hebben de heer en mevrouw X-Y bij akte in 2007 verleden voor Nederlandse notaris een schenking gedaan aan hun drie kinderen van de volle eigendom van 90 delen van de burgerlijke maatschap K. Deze schenking werd niet ter registratie aangeboden. Een kopie van deze schenkingsakte wordt bijgevoegd.

15. In 2008 heeft het echtpaar X-Y nog een bijkomende inbreng gedaan in de burgerlijke maatschap K. Zij verwierven hiervoor elk 36 extra delen van de burgerlijke maatschap K in volle eigendom. Een kopie van de notulen wordt bijgevoegd. Deze bijkomende inbreng is naar beste weten van verzoekers initieel afkomstig van een in België geregistreerde schenking die de heer X kort voor de bijkomende inbreng in K van zijn ouders heeft gekregen en zodoende aldus van zijn eigen vermogen.

16. Bij akte verleden in 2009 voor Nederlandse notaris hebben zij deze extra delen in volle eigendom geschonken aan hun drie kinderen.

17. Deze schenking werd niet ter registratie aangeboden. Een kopie van deze schenkingsakte wordt bijgevoegd.

18. Gelet op de voormelde herkomst van de fondsen, komen de 36 delen die mevrouw Y heeft geschonken aan de kinderen voort uit een onrechtstreekse schenking aan haar door haar echtgenoot, de heer X.

19. In 2007 hebben de heer en mevrouw X-Y samen met hun kinderen de burgerlijke maatschap “P” opgericht.

20. In ruil voor hun inbreng hebben elk van de ouders de volle eigendom van 45 delen verworven van deze maatschap. De kinderen hebben bij oprichting elk 1 deel in volle eigendom verworven. De fondsen ingebracht door de ouders zijn naar beste weten van verzoekers afkomstig van de ouders van de heer X en zodoende aldus van zijn eigen vermogen. Naar zijn beste weten zouden deze fondsen hem reeds toebehoren sedert circa het jaar 2000.

21. Deze maatschap werd opgericht voor een duur van 30 jaar. De heer X werd aangeduid als statutaire zaakvoerder. Mevrouw Y werd aangeduid als opvolgende statutaire zaakvoerder.

22. Een kopie van de Statuten van de burgerlijke maatschap P wordt bijgevoegd.

23. Vervolgens hebben de heer en mevrouw X-Y bij akte in 2007 verleden voor Nederlandse notaris een schenking gedaan aan hun drie kinderen van de volle eigendom van 90 delen van de burgerlijke maatschap P.

24. Deze schenking werd niet ter registratie aangeboden. Een kopie van deze schenkingsakte wordt bijgevoegd.

25. Gelet op de voormelde herkomst van de fondsen, komen de delen die mevrouw Y heeft geschonken aan de kinderen voor het grootste deel voort uit een onrechtstreekse schenking gedaan aan haar door haar echtgenoot, de heer X.

26. In 2008 heeft het echtpaar X-Y nog een bijkomende inbreng gedaan in de burgerlijke maatschap P. Zij verwierven hiervoor elk 20 extra delen van de burgerlijke maatschap P in volle eigendom. (kopie van de notulen wordt voorgelegd). In 2009 werd nog een bijkomende inbreng gedaan in ruil waarvoor elk van de ouders 130 extra aandelen heeft verkregen (kopie van de notulen wordt voorgelegd). De activa bijkomend ingebracht door de ouders zijn naar beste weten van verzoekers afkomstig van de ouders van de heer X en zodoende aldus van zijn eigen vermogen. Naar zijn beste weten zouden deze fondsen hem reeds toebehoren sedert circa het jaar 2000.

27. Bij akte verleden in 2009 voor Nederlandse notaris hebben de ouders deze extra delen in volle eigendom geschonken aan hun drie kinderen.

28. Deze schenking werd niet ter registratie aangeboden. Een kopie van deze schenkingsakte wordt bijgevoegd.

29. Gelet op de voormelde herkomst van de fondsen, komen de delen die mevrouw Y heeft geschonken aan de kinderen voor het grootste deel voort uit een onrechtstreekse schenking gedaan aan haar door haar echtgenoot, de heer X.

30. In 2007 hebben de heer en mevrouw X-Y de burgerlijke maatschap “T” opgericht.

31. Zij hebben in ruil voor hun inbreng elk 60 delen in volle eigendom van de burgerlijke maatschap T verkregen.

32. Deze maatschap werd opgericht voor een duur eindigend in 2057. De (langstlevende van de) heer en mevrouw X-Y werden aangeduid als statutaire zaakvoerder.

33. Een kopie van de Statuten van de burgerlijke maatschap T, dewelke ter registratie werden aangeboden, wordt voorgelegd.

34. Vervolgens hebben de heer en mevrouw X-Y bij akte in 2007 verleden voor notaris (…) te (…) een schenking gedaan aan hun drie kinderen van de blote eigendom van 120 delen van de burgerlijke maatschap T.

35. Deze schenking werd ter registratie aangeboden en de schenkbelasting werd voldaan. Een kopie van de schenkingsakte wordt bijgevoegd.

36. In 2007 heeft het echtpaar X-Y een bijkomende inbreng gedaan in de burgerlijke maatschap T, in ruil waarvoor zij 1.055 nieuwe delen van de maatschap hebben verworven. Bij die gelegenheid werden de bestaande 120 delen opgesplitst in 1.200 delen.

37. In juli 2010 heeft het echtpaar X-Y nog een bijkomende inbreng gedaan in de burgerlijke maatschap T. Zij verwierven hiervoor 1.293 extra delen van de burgerlijke maatschap T.

38. Het addendum bij de statuten inhoudende de bijkomende inbrengen wordt bijgevoegd.

39. Bij akte verleden in 2010 voor buitenlandse notaris, hebben de heer en mevrouw X-Y een schenking gedaan aan hun drie kinderen van de blote eigendom van alle delen minus 8 die zij ingevolge de bijkomende inbreng hebben verkregen, met name 780 delen aan elk van de kinderen.

40. Een kopie van deze schenkingsakte, dewelke niet ter registratie werd aangeboden, wordt bijgevoegd.

41. Bij onderhandse overeenkomst in 2014 heeft het echtpaar X-Y de resterende 8 delen van de maatschap T verkocht aan de drie kinderen (een kopie van de verkoopovereenkomst wordt voorgelegd).

42. In 2009 hebben de heer en mevrouw X-Y de burgerlijke maatschap “F” opgericht.

43. In ruil voor de door elk van hen gedane inbreng hebben de ouders de volgende delen ontvangen: de heer X 51 en mevrouw Y 50.

44. De fondsen ingebracht door de ouders zijn afkomstig van de familie van de heer X en zodoende aldus van zijn eigen vermogen. De fondsen ingebracht door mevrouw Y heeft zij grotendeels verkregen ingevolge onrechtstreekse schenking van haar echtgenoot (cf. blz 2 van de oprichtingsakte waarvan kopie werd toegevoegd).

45. Naar beste weten van de heer X zouden deze fondsen, afkomstig van zijn familie, hem reeds toebehoren sedert circa het jaar 2003.

46. Deze maatschap werd opgericht voor een duur eindigend in 2023. De (langstlevende van de) heer en mevrouw X-Y werden aangeduid als statutaire zaakvoerder.

47. Vervolgens hebben de heer en mevrouw X-Y bij akte in 2009 verleden voor Nederlandse notaris een schenking gedaan aan hun drie kinderen. De heer X heeft de volle eigendom van 50 delen geschonken aan zijn drie kinderen en mevrouw Y de volle eigendom van 49 delen van de burgerlijke maatschap F.

48. Deze schenking werd niet ter registratie aangeboden. Een kopie van deze schenkingsakte wordt bijgevoegd.

49. Gelet op de voormelde herkomst van de fondsen, komen de delen die mevrouw Y heeft geschonken aan de kinderen voor het grootste deel voort uit een onrechtstreekse schenking gedaan aan haar door haar echtgenoot, de heer X.

50. Bij onderhandse overeenkomst in 2014 heeft het echtpaar X-Y hun resterende 2 delen van de burgerlijke maatschap F verkocht aan de drie kinderen (kopie van de verkoopovereenkomst wordt bijgevoegd).

51. In 2010 hebben de heer en mevrouw X-Y samen met hun drie kinderen, de burgerlijke maatschap “Y” opgericht.

52. In ruil voor hun inbreng verkregen de heer en mevrouw X-Y 2.840 delen in volle eigendom van de burgerlijke maatschap Y. Elk van de kinderen heeft in ruil voor hun inbreng 1 deel in volle eigendom ontvangen van de burgerlijke maatschap Y.

53. Deze maatschap werd opgericht voor een duur eindigend bij het overlijden van de langstlevende van de heer X en mevrouw Y. De (langstlevende van de) heer en mevrouw X-Y werden aangeduid als statutaire zaakvoerder.

54. Een kopie van de Statuten van de burgerlijke maatschap Y wordt bijgevoegd.

55. Vervolgens hebben de heer en mevrouw X-Y bij akte in 2010 verleden voor Nederlandse notaris een schenking gedaan aan hun drie kinderen van de blote eigendom van 2.840 delen van de burgerlijke maatschap Y, met name aan elk van hen 946 en 2 in onverdeeldheid.

56. Deze schenking werd niet ter registratie aangeboden. Een kopie van deze schenkingsakte wordt bijgevoegd.

57. Een schematisch overzicht van de situatie zoals deze voorlag na de hoger geschetste transacties geschetst wordt bijgevoegd.

58. Bij akte in 2014 verleden voor Nederlandse notaris werd het vruchtgebruik dat de ouders nog aanhielden op 3.540 delen van de burgerlijke maatschap T en op 2.840 delen van de burgerlijke maatschap Y omgezet naar volle eigendom voor de kinderen doch onder last tot afstand van een rente van maximaal 4% per jaar en met een voorbehoud van stemrecht.

  • Last tot afstand van een rente
    • Optionele rente van maximaal 4% van de waarde van de geschonken delen op datum van de schenking/waarde op het einde van elk jaar;
    • Voorafnames mogelijk;
    • Dient te worden opgevraagd door de schenker aan de begiftigden. Indien de rente niet tijdig wordt opgevraagd, kan geen uitvoering meer worden gevraagd van de last voor het betrokken kalenderjaar;
    • De schenker verbindt zich ertoe om het nodige te doen om, indien de begiftigden dit wensen, deze last te voldoen vanuit het door de burgerlijke maatschap aangehouden vermogen;
    • In de mate de last niet wordt gerespecteerd door de begiftigden kan de herroeping van de schenking worden gevorderd;
    • Last wordt gereduceerd naar 2% bij overlijden eerststervende van de schenkers;
  • Voorbehoud van stemrecht
    • De (langstlevende van de) schenkers oefenen levenslang, onherroepelijk en exclusief het stemrecht uit verbonden aan de geschonken delen.

59. Een kopie van deze akte, dewelke niet ter registratie werd aangeboden alsook een schematisch overzicht van de situatie zoals deze voorlag na de hoger geschetste transactie worden voorgelegd.

Burgerlijke maatschap E

60. In 2014 heeft het echtpaar X-Y samen met hun drie kinderen, de burgerlijke maatschap “E” opgericht.

61. Door beide echtgenoten werden activa ingebracht in ruil voor 1.011 delen categorie F van de burgerlijke maatschap E in volle eigendom. De heer X bracht daarnaast nog een actief in, behorende tot zijn eigen vermogen. In ruil voor deze inbreng verwierf hij 270 delen categorie F van de burgerlijke maatschap E in volle eigendom.

62. De kinderen hebben hierbij inbreng gedaan van alle delen die zij in de onder punt 6 geschetste maatschappen aanhielden (en verworven hadden ingevolge inbreng, schenking, desgevallend zoals gewijzigd bij akte in 2014 of aankoop, zoals hierboven in detail geschetst), meer bepaald door elk van de drie kinderen werden de volgende activa in volle eigendom ingebracht:

  • 947 delen van de burgerlijke maatschap Y;
  • één onverdeeld derde van 2 delen van de burgerlijke maatschap Y;
  • 780 delen van de burgerlijke maatschap T;
  • één onverdeeld derde van 1.208 delen van de voormelde burgerlijke maatschap T;
  • 33 delen van de burgerlijke maatschap F;
  • één onverdeeld derde van 2 delen van de voormelde burgerlijke maatschap F;
  • 55 delen van de burgerlijke maatschap K;
  • 131 delen van de burgerlijke maatschap P.

63. In ruil voor deze inbreng heeft elk van de kinderen de volgende delen van de burgerlijke maatschap E verkregen:

  • 610 delen categorie A;
  • 807 delen categorie B;
  • 270 delen categorie C;
  • 415 delen categorie D;
  • 606 delen categorie E;

64. De delen van voormelde categorieën A tot en met E zijn in de plaats gekomen van de delen van de respectievelijke maatschappen die werden ingebracht en in ruil waarvoor zij werden uitgegeven ingevolge zaakvervanging.

65. Bijgevolg gelden de voorwaarden, lasten en modaliteiten die desgevallend gekoppeld zijn aan de verwerving van de ingebrachte delen (en de eventuele aanpassingen die hieraan later werden aangebracht – zie akte van 2014), ter zake de delen van de Maatschap die in ruil daarvoor zijn uitgegeven. Zo zijn de delen categorie A van de maatschap in de plaats gekomen ingevolge zaakvervanging van de delen van de maatschap Y en gelden de voorwaarden, lasten en modaliteiten die aan de verwerving van de delen van Y waren gekoppeld (en de aanpassingen die hieraan later werden aangebracht – zie akte van 2014), voortaan voor de delen categorie A van de Maatschap. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de overige categorieën.

66. Een kopie van de oprichtingsakte en de Statuten van de burgerlijke maatschap “E” worden bijgevoegd. Bij besluit van de buitengewone algemene vergadering van 2016 werd een verduidelijking doorgevoerd inzake het doel van de burgerlijke maatschap (kopie van de notulen wordt bijgevoegd).

67. In deze Statuten werd onder meer het volgende bepaald:

  • Doel
    • Het doel is burgerlijk van aard, en behelst hetgeen volgt: in een familiale sfeer waarin wordt gestreefd naar samenwerking, continuïteit en het verstevigen van de familiale banden, het familiaal vermogen in stand te houden en te vergroten. In dit kader wordt gestreefd naar een continuïteit in de samenwerking tussen de vennoten. In dit kader zal de vennootschap het familiaal vermogen beheren als een goed huisvader. Aldus kan worden belegd in alle soorten roerend en onroerend vermogen, zowel in het binnenland als in het buitenland. Opbrengsten, hetzij in de vorm van periodieke inkomsten, hetzij ingevolge behaalde meerwaarden, volgen datzelfde doel en dienen conform hiermee belegd te worden. Te dien einde mag ook worden belegd in aandelen van een vennootschap met een industriële, handels- of andere activiteit. Eveneens kan worden belegd in een levensverzekering.
    • Met betrekking tot de ingebrachte en nog in te brengen vermogensbestanddelen, en met betrekking tot de vermogensbestanddelen waarin desgevallend zal worden herbelegd, mogen geen handelingen worden gesteld die de burgerlijke activiteit in het gedrang zullen brengen of zouden kunnen brengen. Meer bepaald zal de Maatschap als dusdanig zich onthouden van enige industriële, handels- of andere commerciële activiteit.
    • De Maatschap kan alle handelingen stellen die op welke wijze ook kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, met uitdrukkelijke uitsluiting evenwel van handelingen als bedoeld in de Wetten en Koninklijke Besluiten op de financiële transacties en de financiële markten en over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies.
  • Duur
    • Tot aan het overlijden van de langstlevende van de heer X en mevrouw Y.
  • Overdraagbaarheid delen onder levenden
    • Vervreemdingsverbod tenzij mits unanieme, voorafgaande en schriftelijke toestemming van alle andere vennoten.
  • Zaakvoerder
    • Statutaire aanstelling
      • De (langstlevende van de) heer X en mevrouw Y.
    • Bevoegdheden
      • Aan de zaakvoerder wordt de meest ruime bevoegdheid gegeven met betrekking tot het bestuur en beheer van de Maatschap, de interne en externe vertegenwoordiging van de Maatschap en de beleggingsbeslissingen.
      • De zaakvoerder is exclusief, en met uitsluiting van alle andere vennoten, bevoegd om alle daden van beheer en alle daden van beschikking, in de ruimst mogelijke betekenis, te stellen met betrekking tot het ingebrachte en nog in te brengen vermogen, alsook met betrekking tot de vermogensbestanddelen die in de plaats komen van het ingebrachte en nog in te brengen vermogen door belegging, wederbelegging, zaakvervanging, alsook met betrekking tot alle toekomstige interesten, vruchten en opbrengsten, hoe ook genoemd, van het ingebrachte en nog in te brengen vermogen en/of wat daarvoor in de plaats is gekomen, die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het doel van de Maatschap, daarbij optredend voor alle vennoten.
      • De zaakvoerder is onder meer (niet limitatief) exclusief bevoegd om de volgende daden van beheer te stellen:
        • het innen van interesten, opbrengsten en vruchten, met betrekking tot het vermogen;
        • het herbeleggen van roerende waarden, bekomen hetzij op de vervaldag, hetzij tussentijds;
        • het doorstorten van niet-gereserveerde interesten, opbrengsten en vruchten aan de vennoten;
        • het beslissen om de toekenning of de betaalbaarstelling van niet-gereserveerde interesten, opbrengsten en vruchten aan de vennoten al dan niet uit te stellen;
        • de bevoegdheid om welbepaalde taken toe te vertrouwen aan een derde-lasthebber;
        • de bevoegdheid om de vennoten in rechte te vertegenwoordigen;
        • openen van een rekening bij De Post, banken of andere kredietinstellingen in naam van de Maatschap.
      • De zaakvoerder is onder meer (niet limitatief) exclusief bevoegd om de volgende daden van beschikking te stellen:
        • het vervreemden of wederbeleggen van de vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid;
        • het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan alle aandelen die deel uitmaken van de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid;
        • het kopen, verkopen, verhuren of het ten bezwarende titel afstaan van het gebruik aan derden van de goederen behorende tot de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid;
        • het onderschrijven van kapitaal in een vennootschap met of zonder rechtspersoonlijkheid;
        • het wederbeleggen van de vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid in onroerende goederen.
      • De zaakvoerder is tevens onder meer (niet limitatief) exclusief bevoegd om de volgende daden met betrekking tot bepalen van het beleggingsprofiel te stellen:
        • een overeenkomst van “discretionair vermogensbeheer” en haar bijlagen af te sluiten alsook het toepasselijk “investeringsprofiel” en de eventuele modaliteiten en beperkingen te bepalen voor de betreffende overeenkomst;
        • een overeenkomst van “beleggingsadvies” en haar bijlagen af te sluiten alsook het toepasselijk “investeringsprofiel” en de eventuele modaliteiten en beperkingen te bepalen voor de betreffende overeenkomst. Dit bijzonder mandaat tot ondertekening van een overeenkomst van beleggingsadvies omvat eveneens de bevoegdheid tot het ontvangen van deze adviezen en tot het eventueel doorgeven van orders in financiële instrumenten waarover advies werd verleend;
        • in het kader van de dienst “advies in financiële instrumenten” de geschiktheidstest uit te voeren en af te sluiten om het toepasselijk “investeringsprofiel” te bepalen voor de betreffende dienst. Dit bijzonder mandaat tot ondertekening en afsluiten van de geschiktheidstest voor de dienst “advies in financiële instrumenten” omvat eveneens de bevoegdheid tot het ontvangen van deze adviezen en tot het eventueel doorgeven van orders in financiële instrumenten waarover advies werd verleend.

          Meer in het algemeen kan de zaakvoerder het beleggingsprofiel, in de meest ruime zin, in het kader van de mifid-regeling, of eender welke andere regeling, bij bankinstellingen gaan bepalen.

      • De vennoten die niet werden benoemd als zaakvoerder kunnen geen daden van beheer, noch daden van beschikking stellen met betrekking tot de goederen die tot het vermogen van de Maatschap behoren.
      • De zaakvoerder kan, met behoud van zijn verantwoordelijkheid, werkzaamheden van administratieve aard geheel of gedeeltelijk laten uitvoeren door een door hem voor die bepaalde aangelegenheden aangestelde lasthebber, en dit al dan niet tegen vergoeding.
      • Indien de zaakvoerder beslist om de vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de tussen de vennoten bestaande onverdeeldheid al dan niet gedeeltelijk te wederbeleggen in onroerende goederen, dan zullen de vennoten hieraan hun medewerking verlenen bij het verlijden van de notariële akte en desgevallend de zaakvoerder een authentieke volmacht verlenen teneinde de zaakvoerder in de mogelijkheid te stellen deze daad van beschikking, die tot zijn exclusieve bevoegdheid behoort, te kunnen stellen. In voorkomend geval dient, zowel in de eventuele volmacht als in de aankoopakte van het onroerend goed of onroerende goederen te worden bepaald dat de zaakvoerder de middelen van de Maatschap mag aanwenden ter aankoop van een onroerend goed, in naam en voor rekening van de vennoten in dezelfde verhouding als de alsdan geldende delenverhouding van de Maatschap.
      • Indien de zaakvoerder beslist het vermogen van de Maatschap geheel of gedeeltelijk te investeren in een levensverzekering, zullen alle rechten, en onder andere de persoonlijke rechten verbonden aan dit contract van levensverzekering, worden uitgeoefend door de (opvolgende) zaakvoerder in het uitsluitende belang van de Maatschap en de achterliggende vennoten van de Maatschap, en dit zolang de Maatschap blijft voortduren.

        Daartoe zal de (opvolgende) zaakvoerder, bij toepassing van artikel 184 wet betreffende de verzekeringen voorzien in de nodige bijvoegsels bij het levensverzekeringscontract.

  • Algemene vergadering
    • Gewone algemene vergadering
      • Goedkeuring jaarrekening
      • Gewone meerderheid van stemmen
  • Enkel diegene die stemrecht mag uitoefenen
    • Winstuitkering
      • Op voorstel van de zaakvoerder beslist de gewone algemene vergadering over winstuitkering of reservering
  • Buitengewone algemene vergadering
    • Wijziging Statuten, onder meer ontbinding burgerlijke maatschap, vervanging statutaire zaakvoerder, kapitaalvermindering
    • Unanimiteit van stemmen
      • Zowel diegene die stemrecht uitoefent als eigenaar van de delen
  • Uittreding vennoten
    • Geen recht op uittreding behoudens akkoord van de statutaire zaakvoerder(s).

68. Vervolgens hebben de heer X en mevrouw Y bij akte in 2014 verleden voor Nederlandse notaris een schenking gedaan aan hun drie kinderen van de volle eigendom van:

  • 1.011 delen categorie F van de burgerlijke maatschap E door beide schenkers;
  • 270 delen categorie F van de burgerlijke maatschap E door de heer X.

    69. Een kopie van deze schenkingsakte wordt bijgevoegd. De schenking, dewelke niet ter registratie werd aangeboden, werd gedaan onder de volgende voorwaarden, modaliteiten en lasten:

  • Last tot afstand van een rente
    • Optionele rente van maximaal 4% van de waarde van de geschonken delen op datum van de schenking / waarde op het einde van elk jaar
    • Voorafnames mogelijk
    • Dient te worden opgevraagd door de schenker aan de begiftigden. Indien de rente niet tijdig wordt opgevraagd, kan geen uitvoering meer worden gevraagd van de last voor het betrokken kalenderjaar
    • De schenker verbindt zich ertoe om het nodige te doen om, indien de begiftigden dit wensen, deze last te voldoen vanuit het door de burgerlijke maatschap aangehouden vermogen
    • In de mate de last niet wordt gerespecteerd door de begiftigden kan de herroeping van de schenking worden gevorderd
    • Last wordt gehalveerd bij overlijden eerststervende van de schenker voor wat betreft de schenking door beide ouders gedaan.
    • Last vervalt bij overlijden meneer voor wat betreft de door hem gedane schenking.
  • Voorbehoud van stemrecht
    • De (langstlevende van de) schenkers oefenen levenslang, onherroepelijk en exclusief het stemrecht uit verbonden aan de geschonken delen.
  • Optioneel ontbindende voorwaarde van vooroverlijden
    • De schenker heeft de keuze of hij/zij de bedongen terugkeer ingeval van vooroverlijden van de begiftigde al dan niet zal inroepen
    • Zelfs indien de begiftigde bij zijn/haar overlijden vóór de schenker afstammelingen nalaat
  • Vervreemdingsverbod
  • Uitsluitingsclausule

70. Tot slot werden de maatschappen K, P, F, T en Y eind 2014- begin 2015 ontbonden en vereffend.

71. De notulen worden bijgevoegd.

72. Ter informatie wordt tevens een kopie van de jaarstukken van de burgerlijke maatschap voor alle jaren sinds de oprichting tot en met 2016 voorgelegd.

Omschrijving van de voorgenomen verrichtingen

73. De aanvragers wensen ten eerste aanpassingen/verduidelijkingen te doen aan de statuten van de burgerlijke maatschap “E” teneinde de controle van de ouders-schenkers te verminderen en teneinde de categorieën van delen af te schaffen (cf. infra).

74. Ten tweede wenst de heer X de onrechtstreekse schenkingen aan zijn echtgenote van bepaalde delen K, P en F (cf. supra) te herroepen (cf. infra).

75. Immers doordat mevrouw Y hetgeen zij geschonken heeft aan haar kinderen zelf geschonken heeft gekregen van haar echtgenoot en laatstgenoemde schenking als schenking tussen echtgenoten op basis van artikel 1096 BW strikt genomen te allen tijde herroepelijk is door meneer, zou kunnen geargumenteerd worden dat hierdoor ook de schenking aan de kinderen onrechtstreeks herroepen zou kunnen worden door de heer X. Dit is niet de bedoeling. De ouders wensen een definitieve onherroepelijke schenking aan de kinderen voor wat betreft de volledige burgerlijke maatschap E en wensen alle mogelijke discussies inzake de eventuele herroepelijkheid van bepaalde delen van deze maatschap te vermijden.

76. De verzoekers wensen ten derde een nieuwe akte te laten verlijden voor Belgische notaris (dus met betaling van 3% schenkbelasting zoals hierna verduidelijkt) waarbij:

  1. De heer X een schenking zal doen aan zijn kinderen van hetgeen ingevolge de herroeping in punt B in zijn vermogen terugkeert (cf. infra);
  2. De reeds gedane schenkingen zullen worden bevestigd (cf. infra);
  3. Alle voorwaarden zullen worden gestroomlijnd in die zin dat zij dezelfde zijn voor alle geschonken delen van de burgerlijke maatschap E met uitzondering van het voorbehoud van stemrecht (hetgeen wordt gereduceerd tot 6 delen) en met uitzondering van de last tot afstand van een rente (dewelke verder nog eens voor zoveel als nodig uitdrukkelijk zal worden geplafonneerd in deze akte) die slechts van toepassing is op een beperkt aantal delen (cf. infra)

A. Aanpassingen aan de Statuten van de burgerlijke maatschap “E”

77. De aanvragers wensen de volgende aanpassingen te doen aan de Statuten van de burgerlijke maatschap “E”:

i. Teneinde de bevoegdheden van de schenkers/zaakvoerders af te zwakken tot loutere daden van beheer over de activa die de burgerlijke maatschap aanhoudt en dit via een bijeenkomst van de buitengewone algemene vergadering van de burgerlijke maatschap “E”, die zal beslissen tot de vervanging van artikel 8,1. en 8,2. en artikel 9 van de Statuten:

Artikel 8 : Zaakvoerder

  1. Definitie

    Onder “zaakvoerder” wordt in deze Statuten begrepen de statutaire zaakvoerders, desgevallend de opvolgende statutaire zaakvoerders.

  2. Omschrijving van het mandaat

    De zaakvoerder is, met uitsluiting van de deelgenoten van de Maatschap, gerechtigd om alle daden van beheer te stellen en ter zake alle mogelijke beslissingen te nemen en vertegenwoordigingshandelingen te stellen met betrekking tot het in de Maatschap ingebrachte en nog in te brengen vermogen, alsook met betrekking tot de vermogensbestanddelen die in de plaats komen van het ingebrachte en nog in te brengen vermogen door belegging, wederbelegging, zaakvervanging, alsook met betrekking tot alle toekomstige interesten, vruchten en opbrengsten, hoe ook genoemd, van het ingebrachte en nog in te brengen vermogen en/of wat daarvoor in de plaats is gekomen, die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het doel van de Maatschap, hierbij optredend in naam en voor rekening van alle deelgenoten van de Maatschap.

    Onder daden van beheer dient concreet onder meer te worden begrepen het nemen van beslissingen en het stellen van vertegenwoordigingshandelingen inzake:

  • het beleggen en herbeleggen van de door de Maatschap op rekening of in het kader van een beleggingsportefeuille aangehouden activa (dewelke hierbij uitdrukkelijk als een feitelijke algemeenheid worden aangemerkt) en het voeren van alle communicatie ter zake met de bank of vermogensbeheerder. Hieronder wordt uitdrukkelijk niet begrepen het nemen van beslissingen aangaande het overbrengen van deze activa naar een andere bank of vermogensbeheerder en het nemen van beslissingen aangaande het beleggingsprofiel, inclusief het aanbrengen van wijzigingen aan dit beleggingsprofiel;
  • het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan de aandelen die door de Maatschap worden aangehouden, althans indien het gaat om gewone algemene vergaderingen van de vennootschap waarvan de Maatschap de aandelen aanhoudt. Hieronder wordt dus uitdrukkelijk niet begrepen het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan de aandelen die door de Maatschap worden aangehouden indien het gaat om buitengewone en bijzondere algemene vergaderingen van de vennootschap waarvan de Maatschap de aandelen aanhoudt;
  • het innen van interesten, opbrengsten en vruchten met betrekking tot het door de burgerlijke maatschap aangehouden vermogen;
  • het doorstorten van activa van de Maatschap, wanneer er overeenkomstig artikel 11 of 12 van deze Statuten tot uitkering werd beslist;
  • het vervullen van alle louter administratieve verplichtingen die gepaard gaan met de Maatschap en het door de Maatschap aangehouden vermogen;

    De zaakvoerder is daarentegen niet gerechtigd om beslissingen te nemen inzake daden van beschikking, waaronder onder meer dient te worden begrepen het stellen van rechtshandelingen waardoor de activa aangehouden door de Maatschap verdwijnen en/of de bestemming ervan wordt gewijzigd, zoals het bezwaren, verkopen of ruilen van de activa aangehouden door de Maatschap (behalve indien dit beleggen en/of herbeleggen betreft binnen het kader van het hoger voormelde beheer van een rekening of beleggingsportefeuille als feitelijke algemeenheid). Iedere daad van beschikking dient door de algemene vergadering van de Maatschap te worden goedgekeurd, bij besluit genomen door de buitengewone algemene vergadering overeenkomstig artikel 12 van deze Statuten.

    De zaakvoerder is wel gerechtigd om vertegenwoordigingshandelingen te stellen tot uitvoering van een aldus door de buitengewone algemene vergadering genomen beslissing inzake een daad van beschikking.

    Indien er redelijke twijfel bestaat over de kwalificatie van bepaalde daden als daad van beheer dan wel als daad van beschikking, dan dienen deze daden als daad van beschikking te worden aangemerkt.

    Indien één van de deelgenoten of de zaakvoerder van oordeel is dat er geen redelijke twijfel kan bestaan over deze kwalificatie, dient er hierover te worden geoordeeld door de arbiter als bepaald in artikel 27 van deze Statuten.

    Indien er meerdere zaakvoerders zijn, zullen zij enkel gezamenlijk bevoegd zijn om hun hierboven beschreven bevoegdheden uit te oefenen (beslissings- en vertegenwoordigingsbevoegdheid).

    Het mandaat van zaakvoerder is onbezoldigd. De buitengewone algemene vergadering kan overeenkomstig artikel 12 van deze Statuten beslissen om het mandaat van de zaakvoerder te bezoldigen.

    De aanstelling als zaakvoerder is intuitu personae en geschiedt steeds bij besluit van de buitengewone algemene vergadering van de Maatschap overeenkomstig artikel 12 van deze Statuten, met uitzondering van de aanstelling van de opvolgend statutaire zaakvoerder die gebeurt zoals voorzien in artikel 8.3,3de alinea van deze Statuten.

Artikel 9 : Relatie bank, financiële instelling en/of vermogensbeheerder

Aan de zaakvoerder wordt door de deelgenoten volmacht verleend om, met uitsluiting van de deelgenoten, alle communicatie met de bank en/of de financiële instelling en/of de vermogensbeheerder te voeren.

ii. Zodanig dat (i) de bevoegdheid van de gewone algemene vergadering duidelijk omschreven is, (ii) de buitengewone algemene vergadering eveneens dient te beslissen over daden van beschikking zoals in het nieuwe artikel 8 omschreven en (iii) de beslissingen binnen de gewone algemene vergadering voortaan ook steeds bij unanimiteit dienen te worden genomen en dit via bijeenkomst van de buitengewone algemene vergadering die zal beslissen tot wijziging van artikel 10, 11 en 12 van de Statuten van de burgerlijke maatschap “E”:

Artikel 10 : Algemene principes

Minstens éénmaal per jaar vindt een gewone algemene vergadering van de deelgenoten en stemgerechtigde niet-deelgenoten plaats op de zetel van de Maatschap, bijeengeroepen door de zaakvoerder. Deze jaarlijkse vergadering vindt plaats in de loop van de maand maart. De vergadering kan verdaagd worden met maximum één maand door beslissing van de zaakvoerder.

De zaakvoerder roept een buitengewone algemene vergadering bijeen telkens hij/zij dit noodzakelijk acht of hiertoe wordt verzocht door een deelgenoot of stemgerechtigde niet-deelgenoot.

Benevens de deelgenoten en de stemgerechtigde niet-deelgenoten is telkens ook de zaakvoerder aanwezig op de gewone en buitengewone algemene vergaderingen.

De gewone en buitengewone algemene vergadering wordt bijeengeroepen door de zaakvoerder, per brief die minstens 10 dagen vóór datum van de algemene vergadering dient te worden verstuurd aan de deelgenoten en de stemgerechtigde niet-deelgenoten met vermelding van de plaats, de datum, het uur en de agenda en in geval het een gewone algemene vergadering betreft met in bijlage het ontwerp van de jaarrekening. Indien alle deelgenoten (al dan niet persoonlijk) en stemgerechtigde niet-deelgenoten (al dan niet persoonlijk) ter vergadering aanwezig zijn en hiermee ter vergadering unaniem instemmen, kan van de vereiste en de formaliteiten van oproeping zoals hierboven beschreven, worden afgeweken.

De gewone algemene vergadering is uitsluitend bevoegd voor de goedkeuring van de jaarrekening, de winstbestemming alsook het verlenen van kwijting aan de zaakvoerder.

De buitengewone algemene vergadering beslist over alle zaken die door deze Statuten niet uitdrukkelijk aan de gewone algemene vergadering of aan de zaakvoerder zijn toegewezen (daaronder onder meer begrepen beslissingen inzake daden van beschikking zoals omschreven in artikel 8 van deze Statuten alsook beslissingen tot wijziging van deze Statuten (waaronder onder meer wordt begrepen de ontbinding van de Maatschap, een bijkomende inbreng, een vervanging van de zaakvoerder en een kapitaalvermindering)).

De deelgenoten en stemgerechtigde niet-deelgenoten kunnen zich laten vertegenwoordigen door een andere deelgenoot of stemgerechtigde niet-deelgenoot mits schriftelijke volmacht, desgevallend via fax of e-mail. Zij kunnen hun stem ook schriftelijk uitbrengen.

De deelgenoten en stemgerechtigde niet-deelgenoten kunnen éénparig en schriftelijk alle besluiten nemen die tot de bevoegdheid van de gewone of buitengewone algemene vergadering behoren. De zaakvoerder stelt een uiterlijke datum van ondertekening van de schriftelijke besluiten vast.

Schriftelijke besluiten worden enkel geacht éénparig te zijn goedgekeurd, indien alle deelgenoten en stemgerechtigde niet-deelgenoten de besluiten integraal en tijdig hebben ondertekend en de deelgenoten en stemgerechtigde niet-deelgenoten die schriftelijke besluiten hebben ondertekend zijn enkel dan gehouden door hun schriftelijke stem. Schriftelijke besluiten worden geacht genomen te zijn op de datum van de laatste handtekening.

Artikel 11 : Stemrecht op de gewone algemene vergadering

Alle delen geven recht op één stem.

Alle beslissingen dienen met unanimiteit van stemmen te worden genomen.

Indien er delen zijn waarvan de eigenaar niet zelf het stemrecht kan en mag uitoefenen, bijvoorbeeld omdat deze delen werden verworven met een clausule voorbehoud van stemrecht in hoofde van de overdrager, worden de stemmen verbonden aan deze delen uitsluitend uitgeoefend door de personen die het stemrecht van deze delen gerechtigd zijn uit te oefenen.

De delen zijn ondeelbaar. Wanneer meerdere personen eigenaar zijn van één deel of wanneer een deel in pand werd gegeven, is de uitoefening van de rechten verbonden aan dat deel geschorst, totdat één persoon aangewezen wordt als de vertegenwoordiger die het stemrecht zal uitoefenen.

Indien het eigendomsrecht over de delen is gesplitst in vruchtgebruik en blote eigendom verkrijgt de vruchtgebruiker de stemrechten verbonden aan de betreffende delen.

Artikel 12 : Stemrecht op de buitengewone algemene vergadering

Alle delen geven recht op één stem.

Alle beslissingen dienen met unanimiteit van stemmen te worden genomen.

Indien er delen zijn waarvan de eigenaar niet zelf het stemrecht kan en mag uitoefenen, bijvoorbeeld omdat deze delen werden verworven met een clausule voorbehoud van stemrecht in hoofde van de overdrager, worden de stemmen verbonden aan deze delen uitsluitend uitgeoefend door de personen die het stemrecht van deze delen gerechtigd zijn uit te oefenen.

De delen zijn ondeelbaar. Wanneer meerdere personen eigenaar zijn van één deel of wanneer een deel in pand werd gegeven, is de uitoefening van de rechten verbonden aan dat deel geschorst, totdat één persoon aangewezen wordt als de vertegenwoordiger die het stemrecht zal uitoefenen.

Indien het eigendomsrecht over de delen is gesplitst in vruchtgebruik en blote eigendom dient zowel de vruchtgebruiker als de blote eigenaar met de beslissing in te stemmen opdat deze zou kunnen worden aangenomen.

iii. Verder zou van de gelegenheid gebruik worden gemaakt om artikel 23 en artikel 24 van de Statuten van de burgerlijke maatschap “E” als volgt aan te passen:

“Artikel 23 : Uittreding

Tijdens de duur van de Maatschap (zoals bepaald in artikel 4) heeft geen enkele deelgenoot het recht om uit de Maatschap te treden behoudens mits goedkeuring van de algemene vergadering van de Maatschap, genomen bij besluit van de buitengewone algemene vergadering overeenkomstig artikel 12 van deze Statuten.

De kandidaat-uittreder dient de overige deelgenoten, de stemgerechtigde niet-deelgenoten en de zaakvoerder in kennis te stellen van zijn wens uit de Maatschap te treden, bij middel van aangetekend schrijven.

In geval van uittreding zal de betrokken deelgenoot, overeenkomstig het besluit van de buitengewone algemene vergadering, ofwel (i) verplicht zijn om zijn deel in de Maatschap over te dragen aan de overige deelgenoten, ofwel (ii) zijn scheidingsdeel te ontvangen vanuit het in de Maatschap aangehouden onverdeeld vermogen.

De waarde van het scheidingsdeel of de prijs te betalen door de overige deelgenoten wordt bepaald op grond van de laatste jaarrekening vóór de uittreding opgesteld overeenkomstig artikel 15 van deze Statuten.

In geen van voornoemde gevallen heeft de uittreding van een deelgenoot de ontbinding van de Maatschap tot gevolg.

De kosten die veroorzaakt worden door de uittreding zullen ten laste komen van de uittredende deelgenoot.

Artikel 24 : Uitsluiting

Iedere deelgenoot, die geen zaakvoerder is, kan om een gegronde reden uit de Maatschap worden gesloten.

Het verzoek tot uitsluiting kan op de agenda van de algemene vergadering worden geplaatst door de zaakvoerder. De beslissing wordt door de buitengewone algemene vergadering genomen op de wijze zoals voorzien in artikel 12 van deze Statuten; de uit te sluiten deelgenoot heeft echter geen stemrecht.

De deelgenoot wiens uitsluiting wordt gevraagd, wordt verzocht zijn opmerkingen schriftelijk te kennen te geven aan de algemene vergadering, binnen één maand nadat een aangetekende brief met het met redenen omklede voorstel tot uitsluiting aan hem/haar is verzonden. Indien hij/zij daarom verzoekt in een geschrift dat zijn/haar opmerkingen bevat, moet de betrokken deelgenoot worden gehoord.

Elk besluit tot uitsluiting wordt met redenen omkleed, en wordt vastgesteld in een afzonderlijk proces-verbaal dat wordt opgemaakt door de zaakvoerder en ondertekend door alle deelgenoten en stemgerechtigde niet-deelgenoten, de uitgesloten deelgenoot uitgezonderd. Dit proces-verbaal vermeldt de feiten waarop de uitsluiting is gebaseerd.

De uitsluiting wordt overgeschreven in het delenregister. Een eensluidend afschrift van het besluit wordt binnen vijftien dagen, bij een ter post aangetekende brief, aan de uitgesloten deelgenoot toegezonden.

De uitgesloten deelgenoot zal als scheidingsdeel het laagste bedrag ontvangen van de waarde van zijn/haar delen op datum van de oprichtingsakte van de Maatschap (2014) en de waarde van zijn/haar delen op de dag van de beslissing tot uitsluiting genomen door de buitengewone algemene vergadering.”

iv. Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de statuten op een aantal andere punten beperkt te wijzigen en te actualiseren (o.a. nieuwe verwijzingen naar artikels ingevolge voormelde aanpassingen…). Voor de volledigheid wordt een versie van de statuten voorgelegd waarin alle wijzigingen zijn aangeduid.

v. Tot slot worden tevens de verschillende categorieën van delen van de burgerlijke maatschap E afgeschaft.

78. Deze aangepaste gecoördineerde Statuten van de burgerlijke maatschap “E”, waarvan een ontwerp wordt toegevoegd, zullen, samen met de akte waarvan sprake onder C, ter registratie worden aangeboden.

B. Herroeping

79. Zoals hoger uiteengezet zijn gelet op de herkomst van de fondsen die werden ingebracht in de maatschappen K, P EN F, de delen die mevrouw Y heeft geschonken aan de kinderen grotendeels afkomstig uit een onrechtstreekse schenking aan haar gedaan door haar echtgenoot, de heer X.

80. Een deel van de door elk van beide echtgenoten geschonken delen van P en F is evenwel gemeenschappelijk aangezien de inkomsten genoten op de fondsen sinds 2000 respectievelijk 2003 tot datum schenking in de huwgemeenschap gevallen zijn van de heer en mevrouw X-Y.

81. Uitgaande van bovenstaande en van een gemiddeld forfaitair percentage aan inkomsten, komen verzoekers tot de volgende berekening per maatschap (berekening wordt bijgevoegd):

  • Wat betreft de schenking K in 2009 van 72 delen zijn er 36 delen onrechtstreeks geschonken geworden door meneer aan mevrouw. Hiervoor zijn ingevolge zaakvervanging 273 delen categorie D van de maatschap E in de plaats gekomen.

    Deze 273 delen categorie D worden herroepen.

  • Wat betreft de schenking P in 2007 van 90 delen zijn er 39 delen onrechtstreeks geschonken geworden door meneer aan mevrouw. Hiervoor zijn er ingevolge zaakvervanging 180 delen categorie E van de maatschap E in de plaats gekomen.

    Deze 180 delen categorie E worden herroepen.

  • Wat betreft de schenking P in 2009 van 300 delen zijn er 126 delen onrechtstreeks geschonken geworden door meneer aan mevrouw. Hiervoor zijn er ingevolge zaakvervanging 579 delen categorie E van de maatschap E in de plaats gekomen.

    Deze 579 delen categorie E worden herroepen.

  • Wat betreft de schenking F in 2009 van 99 delen zijn er 42 delen onrechtstreeks geschonken geworden door meneer aan mevrouw. Hiervoor zijn er ingevolge zaakvervanging 330 delen categorie C van de maatschap E in de plaats gekomen.

Deze 330 delen categorie C worden herroepen.

82. Evenwel worden de categorieën van delen van de burgerlijke maatschap E geschrapt (Zie A v. supra) en worden de delen voortaan gewoon genummerd van 1 t.e.m. 9.405 zodoende dat alle delen tot eenzelfde categorie behoren en er aldus in totaal 1.362 delen van de maatschap E worden herroepen.

83. Ingevolge een kapitaalvermindering in 2016 van de burgerlijke maatschap E (een kopie van de notulen wordt bijgevoegd) is een bedrag van (…) € in de plaats gekomen van de delen van de maatschap E zodoende dat ingevolge de herroeping van de voormelde onrechtstreekse schenkingen door de heer X aan mevrouw Y tevens 1.362/9.405sten van deze kapitaalvermindering wordt herroepen, te weten een bedrag van (…) €.

84. Ingevolge een tweede kapitaalsvermindering in 2018 van de burgerlijke maatschap E (een kopie van de notulen wordt bijgevoegd) is een bedrag van (…) € in de plaats gekomen van de delen van de maatschap E zodoende dat ingevolge de herroeping van de voormelde onrechtstreekse schenkingen door de heer X aan mevrouw Y tevens 1.362/9.405sten van deze kapitaalsvermindering wordt herroepen, te weten een bedrag van (…) €.

85. De herroepen 1.362 delen van de burgerlijke maatschap E en het bedrag van (…) € keren terug naar het vermogen van de heer X. De schenking van de voormelde delen van de burgerlijke maatschappen K, P en F door mevrouw Y aan de drie kinderen komt ingevolge deze herroeping immers ook te vervallen.

86. Deze herroeping door de heer X (en mededeling door mevrouw Y van de herroeping aan de kinderen) zou gebeuren via onderhandse documenten (de ontwerpen worden bijgevoegd). Op de herroeping zal vanzelfsprekend geen schenk- of erfbelasting verschuldigd zijn ongeacht het tijdstip van overlijden van (één van) de ouders of de kinderen.

C. Akte schenking/bevestiging schenking/verduidelijking en aanpassing modaliteiten.

(i)

87. Zoals uiteengezet zou de heer X de 1.362 delen van de burgerlijke maatschap E alsook de som van (…) €, die ingevolge herroeping naar zijn vermogen terugkeren (cf. supra) schenken aan zijn drie kinderen in volle eigendom, elk ten belope van 1/3de via akte voor Belgische notaris en aldus met voldoening van 3% schenkbelasting op de geldsom van (…) € alsook op de waarde van deze delen van de burgerlijke maatschap E op het ogenblik van deze akte.

Deze schenking zal gebeuren onder de volgende voorwaarden, lasten en modaliteiten:

Optionele ontbindende voorwaarde van vóóroverlijden

De schenking van de Vermogensbestanddelen door de Schenker aan de Begiftigden is ten opzichte van elk van de Begiftigden voor wat hem/haar betreft en voor zijn/haar Vermogensbestanddelen gedaan onder de dubbele ontbindende voorwaarde van (i) zijn/haar vóóroverlijden vóór de Schenker en (ii) het uitoefenen door de Schenker van het recht om ingevolge het sub (i) vermelde de door hem geschonken Vermogensbestanddelen of hetgeen ervoor in de plaats is gekomen te laten terugkeren.

Indien derhalve één van de Begiftigden komt te overlijden vóór de Schenker, keren al de door de Schenker aan deze vooroverleden Begiftigde geschonken Vermogensbestanddelen of hetgeen ervoor in de plaats is gekomen terug naar de Schenker althans indien deze laatste in die zin heeft beslist.

De Schenker heeft derhalve de keuze tussen het al dan niet inroepen van de bedongen terugkeer, zodat aan de Schenker een optierecht dienaangaande wordt toegekend.

Deze keuze moet gedaan worden binnen de drie (3) maanden te rekenen vanaf de dag van het vooroverlijden van de Begiftigde.

Bij gebreke aan keuze binnen de hiervoor vermelde termijn, zal de Schenker geacht worden niet te opteren voor de toepassing van de bedongen terugkeer.

Indien geopteerd wordt voor de bedongen terugkeer zijn de volgende bepalingen van toepassing.

In voorkomend geval wordt de schenking van de Vermogensbestanddelen ontbonden, in die zin dat de aan de vooroverleden Begiftigde door de Schenker geschonken Vermogensbestanddelen of de goederen die hiervoor, al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging, subrogatie, belegging of wederbelegging in de plaats zijn gekomen integraal en vrij van lasten zullen terugkeren naar het vermogen van de Schenker en worden geacht nooit dit vermogen te hebben verlaten.

Voor zover de geschonken Vermogensbestanddelen of de roerende goederen die hiervoor, al dan niet gedeelte­lijk, bij wijze van zaakvervanging of subrogatie, belegging of wederbelegging in de plaats zouden zijn gekomen, op enig moment in onroerend goed zouden worden be­legd of wederbelegd, dan zal voor zover dergelijk onroerend goed zich op het ogenblik van het overlijden van de betrokken Begiftigde nog in zijn/haar nalatenschap bevindt, naar keuze van de Schenker, niet dergelijk onroerend goed maar wel de tegenwaarde daarvan integraal in het vermogen van de Schenker terugkeren, tegen de waarde van dit onroerend goed op het ogenblik van het overlijden van de Begiftigde”.

Uitsluitingsclausule”

Al hetgeen ingevolge voorgaande bepalingen aan de Begiftigden toekomt, alsmede alle inkomsten, vruchten of revenuen daarvan en ook al hetgeen, al dan niet gedeeltelijk, van de geschonken Vermogensbestanddelen of van de inkomsten, vruchten of revenuen ervan, door zaakvervanging of subrogatie, belegging of weder­belegging in de plaats treedt, alsmede alle inkomsten, vruchten en revenuen van hetgeen aldus in de plaats treedt, zal niet vallen in enige vermogensgemeenschap ingevolge huwelijk of geregistreerd partnerschap of samenwoning van welke aard ook, en zal evenmin betrokken kunnen worden in enige verrekening ingevolge huwelijksvermogensrecht of samenwoningsrecht of ingevolge door de Begiftigden gemaakte of te maken huwelijkse voorwaarden, samenlevingsovereen­komsten of partnerschapsregistratievoorwaarden en evenmin in enig aanwascontract, behoudens voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de Schenker.

Deze uitsluitingsclausule komt hoe dan ook te vervallen bij het overlijden van de Schenker. Indien de duur van dit verbod de wettelijk toegelaten duur zou overschrijden, wordt de duur verkort tot maximaal de door het recht toegelaten duur.”

Vervreemdingsverbod”

Het is de Begiftigden niet toegelaten om, behoudens voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de Schenker op gelijk welke wijze de bij onderhavige akte geschonken Vermogensbestanddelen te vervreemden, te verpanden of anderszins te bezwaren tijdens het leven van de Schenker.

Wanneer een vervreemding wordt toegestaan zal voornoemd vervreemdingsverbod verder van toepassing zijn op de goederen die, al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging of subrogatie, belegging of wederbelegging in de plaats zijn gekomen van de vervreemde vermogensbestanddelen.

Dit vervreemdingsverbod komt hoe dan ook te vervallen bij het overlijden van de Schenker. Indien de duur van dit verbod de wettelijk toegelaten duur zou overschrijden, wordt de duur verkort tot maximaal de door het recht toegelaten duur.”

“Niet-uitvoering lasten verbonden aan de schenkingen

De Schenker bedingt uitdrukkelijk dat de, ook slechts gedeeltelijke, niet-naleving van de lasten opgenomen in onderhavige schenkingsakte, hetzij door de Begiftigden zelf, hetzij door hun rechtsopvolger(s) de herroeping van onderhavige schenking tot gevolg kan hebben zoals voorzien in de artikelen 953 en 954 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek. Voor het overige zijn alle gronden tot herroeping van schenking, zoals voorzien in het Belgisch Burgerlijk Wetboek, onverminderd van toepassing.”

“Zaakvervangingsclausule

Deze schenking en meer bepaald alle modaliteiten, voorwaarden en lasten gekoppeld aan deze schenking zullen tevens betrekking hebben op de goederen en/of rechten die, al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging of subrogatie, belegging of wederbelegging in de plaats zullen komen van de geschonken Vermogensbestanddelen.”

“Nietigheid

De eventuele nietigheid van een gedeelte, een bepaling of een term van onderhavige schenking, heeft niet de nietigheid tot gevolg van de gehele overeenkomst. De gebeurlijk nietige bepaling(en) zal/zullen in dat geval vervangen worden door (een) geldige bepaling(en) die het dichtst mogelijk de bedoeling van partijen benadert.”

(ii)

88. Daarnaast is het de bedoeling van verzoekers om alle vroegere schenkingen aan de kinderen van delen van de maatschappen K, P, T, F en Y, waarvoor inmiddels delen van de burgerlijke maatschap E en tegoeden voortvloeiende uit de kapitaalvermindering in 2016 en uit de kapitaalsvermindering in 2018 in de plaats zijn gekomen (met uitzondering van deze die reeds werden herroepen cf. supra B) en van delen van de maatschap E (waarvoor inmiddels deels ook reeds tegoeden voortvloeiende uit de kapitaalvermindering in 2016 en uit de kapitaalsvermindering in 2018 in de plaats is gekomen) te bevestigen bij akte te verlijden voor Belgische notaris waarbij 3% schenkbelasting zal worden betaald op de waarde op het ogenblik van deze akte van de geschonken vermogensbestanddelen, met name op 7.965 delen van de burgerlijke maatschap E en op 7.965/9.405sten van de voormelde kapitaalverminderingen van 2016 en 2018, met name op een som van (…) €

89. Het betreft meer bepaald de volgende aktes en delen:

  • De schenkingsakte van 2007, 90 delen K, inmiddels vervangen door 678 delen van de burgerlijke maatschap E;
  • De schenkingsakte van 2009, 36 delen K, inmiddels vervangen door 273 delen van de burgerlijke maatschap E;
  • De schenkingsakte van 2007, 51 delen P, inmiddels vervangen door 237 delen van de burgerlijke maatschap E;
  • De schenkingsakte van 2009, 174 delen P, inmiddels vervangen door 807 delen van de burgerlijke maatschap E;
  • De schenkingsakte van 2007, zoals gewijzigd bij akte van 2014: 1.200 delen T, inmiddels vervangen door 819 delen van de burgerlijke maatschap E;
  • De schenkingsakte van 2010, zoals gewijzigd bij akte van 2014: 2.340 delen T, inmiddels vervangen door 1.596 delen van de burgerlijke maatschap E;
  • De schenkingsakte van 2009, 57 delen F inmiddels vervangen door 447 delen van de burgerlijke maatschap E;
  • De schenkingsakte van 2010, zoals gewijzigd bij akte van 2014: 2.840 delen Y, inmiddels vervangen door 1.827 delen van de burgerlijke maatschap E.
  • De schenkingsakte van 2014: 1.281 delen van de burgerlijke maatschap .;

90. De schenkbelasting zal betaald worden op de waarde d.d. het verlijden van de akte van 7.146 delen van de burgerlijke maatschap E en op 7.146/9.405sten van de tegoeden ten bedrage van (…) € voortvloeiende uit de kapitaalvermindering in 2016 en uit de kapitaalsvermindering in 2018 vermits op de 819 delen van de burgerlijke maatschap E die in de plaats zijn gekomen van de 1.200 delen T geschonken voor notaris (…) te (…) (en dus ook op hetgeen voor deze 819 delen in de plaats is gekomen ingevolge de kapitaalverminderingen in 2016 en in 2018), reeds schenkbelasting werd voldaan (zie supra nr. 3).

91. Hierbij wordt enkel de bevestiging van de schenking van de delen F, K en P of hetgeen ervoor in de plaats is gekomen gedaan door de heer X en gedaan door beide echtgenoten van gemeenschappelijk vermogen ter registratie aangeboden en evident niet de door de heer X te herroepen onrechtstreekse schenkingen gedaan aan zijn echtgenote en evenmin de schenking door zijn echtgenote aan de kinderen gedaan, die ingevolge de herroeping tevens ontbonden zal zijn zodat op deze herroepen/ontbonden schenkingen noch op de herroeping ervan enige schenk- of erfbelasting zal zijn verschuldigd.

(iii)

92. Tot slot is het de bedoeling dat alle voorwaarden zullen worden gestroomlijnd in die zin dat zij dezelfde zullen zijn voor alle geschonken delen van de burgerlijke maatschap E.

93. Deze voorwaarden sporen reeds voor het grootste deel gelijk, maar de beperkte afwijkingen zullen worden weggewerkt.

94. Het is met name de bedoeling om de hiervoor onder punt C (i) geschetste voorwaarden, lasten en modaliteiten van toepassing te verklaren op alle voormelde schenkingen zoals opgelijst in C (ii), met uitzondering van het voorbehoud van stemrecht (hetgeen wordt gereduceerd tot 6 delen) en met uitzondering van de last tot afstand van een rente (dewelke verder nog eens voor zoveel als nodig uitdrukkelijk zal worden geplafonneerd in deze akte) die slechts van toepassing is op een beperkt aantal delen.

95. Het voorbehoud van stemrecht dat actueel op 5.523 delen van de burgerlijke maatschap E rust, zou worden gereduceerd door enerzijds

  • Schrapping van de bepaling “Afstand van het voorbehoud van stemrecht” zoals opgenomen in de wijzigingsakte van 2014
  • Vervanging van de bepaling “Afstand van het voorbehoud van stemrecht” in de schenkingsakte van 2014 (van de delen categorie F) door volgende bepaling:

“Voorbehoud van stemrecht

De schenking is gedaan onder voorbehoud van stemrecht op de delen met nummers 2.709, 2.710, 5.844, 5.845, 8.979 en 8.980 en zodoende dus onder de last dat de Schenkers, meer bepaald de heer X voor wat betreft de nrs. 2.709, 5.844 en 8.979 en mevrouw Y voor wat betreft de nrs. 2.710, 5.845 en 8.980 exclusief (en tevens met uitsluiting van de Begiftigden zelf), levenslang en onherroepelijk het stemrecht zullen uitoefenen verbonden aan deze zes Delen of aan hetgeen, al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging of subrogatie, belegging of wederbelegging ervoor in de plaats zou komen.”

96. De draagwijdte van de last tot afstand van een rente die actueel rust op 5.523 delen van de burgerlijke maatschap E zou worden verduidelijkt als volgt:

97. enerzijds door volgende aanpassingen in de schenkingsakte van 2014 (schenking delen F):

  • Verduidelijking van het artikel “Last tot afstand van een rente op de Delen F1” door vervanging van “Delen F1” door 1.011 Delen en door toevoeging van volgende passage in een nieuw extra puntje e.:

    “De uitoefening van deze last kan uiteraard nooit tot gevolg hebben dat de Begiftigden meer dienen af te staan dan dat zij geschonken hebben gekregen. Dit dient aldus te worden geïnterpreteerd en gelezen dat de mogelijkheid tot het opvragen van achtereenvolgende rentes in hoofde van de Schenkers vanzelfsprekend niet zo ver kan gaan dat er geen duidelijke schenking meer voorligt.

    Het opvragen van de achtereenvolgende rentes dient derhalve uiteraard steeds (in álle omstandigheden) aldus te gebeuren dat er een substantiële verrijking aanwezig is en blijft in hoofde van de Begiftigden (en een substantiële verarming in hoofde van de Schenkers) en dient derhalve steeds indien nodig binnen deze grenzen beperkt te worden. Teneinde hierover alle onduidelijkheden te vermijden, bepalen Partijen hierbij alvast dat het nooit zo kan zijn dat het opvragen of opnemen van de achtereenvolgende rentes ertoe leidt dat aan de Begiftigden meer zou kunnen worden gevraagd dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, waarbij deze totale waarde op datum schenking (…) € bedraagt. In de mate de Begiftigden op een bepaald ogenblik van opvraging of opname niet minstens 40% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden (en ongeacht wat daartoe de reden is), kunnen de Schenkers op dat ogenblik geen rente opvragen of opnemen, ook al hebben de Schenkers op dat ogenblik nog geen 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, opgevraagd aan de Begiftigden. Vanaf het ogenblik dat de Begiftigden wel minstens 40% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden, kunnen de Schenkers opnieuw de rente opvragen of opnemen, zij het dat zij uiteraard nooit meer dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, kunnen opvragen aan de Begiftigden”.

  • Verduidelijking van het artikel “Last tot afstand van een rente op de Delen F2” door vervanging van “Delen F2” door “270 Delen” en door toevoeging van volgende passage in een nieuw extra puntje e:

    “De uitoefening van deze last kan uiteraard nooit tot gevolg hebben dat de Begiftigden meer dienen af te staan dan dat zij geschonken hebben gekregen. Dit dient aldus te worden geïnterpreteerd en gelezen dat de mogelijkheid tot het opvragen van achtereenvolgende rentes in hoofde van de Schenker vanzelfsprekend niet zo ver kan gaan dat er geen duidelijke schenking meer voorligt. Het opvragen van de achtereenvolgende rentes dient derhalve uiteraard steeds (in álle omstandigheden) aldus te gebeuren dat er een substantiële verrijking aanwezig is en blijft in hoofde van de Begiftigden (en een substantiële verarming in hoofde van de Schenker) en dient derhalve steeds indien nodig binnen deze grenzen beperkt te worden.

    Teneinde hierover alle onduidelijkheden te vermijden, bepalen Partijen hierbij alvast dat het nooit zo kan zijn dat het opvragen of opnemen van de achtereenvolgende rentes ertoe leidt dat aan de Begiftigden meer zou kunnen worden gevraagd dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, waarbij deze totale waarde op datum schenking (…) € bedraagt. In de mate de Begiftigden op een bepaald ogenblik van opvraging of opname niet minstens 40% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden (en ongeacht wat daartoe de reden is), kan de Schenker op dat ogenblik geen rente opvragen of opnemen, ook al heeft de Schenker op dat ogenblik nog geen 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, opgevraagd aan de Begiftigden. Vanaf het ogenblik dat de Begiftigden wel minstens 40% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden, kan de Schenker opnieuw de rente opvragen of opnemen, zij het dat hij uiteraard nooit meer dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, kan opvragen aan de Begiftigden”.

  • Rectificatie van het artikel “Last tot afstand van een rente op de Delen F2” door vervanging van puntje b door de hierna vermelde passage:

De last tot afstand van de rente komt te vervallen bij overlijden van de Schenker”.

Dit is steeds zo de bedoeling van partijen geweest. Men wilde enkel tot uitdrukking brengen dat er geen last is op deze delen ten voordele van mevrouw Y na overlijden van de heer X.

98. anderzijds door volgende aanpassingen in de wijzigingsakte van 2014 (betreffende 3.540 delen T en 2840 delen Y:

Verduidelijking van het artikel “Last tot afstand van een rente” door toevoeging van volgende passage in een nieuw extra puntje e.:

“De uitoefening van deze last kan uiteraard nooit tot gevolg hebben dat de Begiftigden meer dienen af te staan dan dat zij geschonken hebben gekregen. Dit dient aldus te worden geïnterpreteerd en gelezen dat de mogelijkheid tot het opvragen van achtereenvolgende rentes in hoofde van de Schenkers vanzelfsprekend niet zo ver kan gaan dat er geen duidelijke schenking meer voorligt. Het opvragen van de achtereenvolgende rentes dient derhalve uiteraard steeds (in álle omstandigheden) aldus te gebeuren dat er een substantiële verrijking aanwezig is en blijft in hoofde van de Begiftigden (en een substantiële verarming in hoofde van de Schenkers) en dient derhalve steeds indien nodig binnen deze grenzen beperkt te worden.

Teneinde hierover alle onduidelijkheden te vermijden, bepalen Partijen hierbij alvast dat het nooit zo kan zijn dat het opvragen of opnemen van de achtereenvolgende rentes ertoe leidt dat aan de Begiftigden meer zou kunnen worden gevraagd dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, waarbij deze totale waarde op datum schenking (…) € bedraagt. In de mate de Begiftigden op een bepaald ogenblik van opvraging of opname niet minstens 40% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden (en ongeacht wat daartoe de reden is), kunnen de Schenkers op dat ogenblik geen rente opvragen of opnemen, ook al hebben de Schenkers op dat ogenblik nog geen 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, opgevraagd aan de Begiftigden. Vanaf het ogenblik dat de Begiftigden wel minstens 40% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden, kunnen de Schenkers opnieuw de rente opvragen of opnemen, zij het dat zij uiteraard nooit meer dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, kunnen opvragen aan de Begiftigden”.

In alle schenkingsaktes was reeds voorzien in een conventionele terugkeer zodoende dat dit geen essentiële wijziging inhoudt. Wel is het zo dat deze terugkeer in de akte van 2007 betreffende 1.200 delen van de burgerlijke maatschap T automatisch was en enkel speelde indien er geen afstammelingen zijn van de begiftigde en in de akte van 2010 betreffende 2.340 delen van de burgerlijke maatschap T tevens automatisch was. Nu wordt dit voor alle aktes, en dus ook voor deze beide aktes een optionele terugkeer die kan spelen ongeacht of er afstammelingen zijn of niet. In de voormelde akte van 2007 was evenmin voorzien in een uitdrukkelijke, afzonderlijke bepaling/voorwaarde inzake vervreemdingsverbod en uitsluitingsclausule

99. Verder worden in het kader van het stroomlijnen van de voorwaarden onder meer de volgende clausules geschrapt:

  • Schrapping van de clausule “4. Ontbinding van een schenking” in de akte van 2010;
  • Schrapping van de clausule “ontbindende voorwaarde van faillissement, collectieve schuldenregeling of kennelijk onvermogen in hoofde van de begiftigde” in de akte van 2010.
  • Schrapping van de clausule “alternatieve schenking” in de akte van 2010.
  • Schrapping van de clausule betreffende volmacht tot registratie in de akte van 2014

100. Het ontwerp van de akte schenking – bevestiging schenking – aanpassing en verduidelijking modaliteiten evenals een overzicht inzake schenkbelasting worden bijgevoegd.

III. Motivering van de aanvraag

VRAAG 1: IS ART. 2.7.1.0.7 VCF, AL DAN NIET IN COMBINATIE MET ART. 3.17.0.0.2 VCF, VAN TOEPASSING NA HET STELLEN VAN DE VOORGENOMEN VERRICHTINGEN?

Toepassingsgebied art. 2.7.1.0.7 VCF

101. Art. 2.7.1.0.7 VCF luidt als volgt:

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing:

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

102. Art. 2.7.1.0.7 VCF viseert (onder meer) gesplitste inschrijvingen in vruchtgebruik – blote eigendom. De schenkingen van de heer X en/of mevrouw Y aan hun kinderen werden

  • ofwel gedaan in volle eigendom (al dan niet onder last tot afstand van een rente) en niet met voorbehoud van vruchtgebruik in hoofde van de schenker(s).
  • ofwel met voorbehoud van vruchtgebruik in hoofde van de schenker(s), doch waarbij dit vruchtgebruik reeds werd omgezet naar volle eigendom met last tot afstand van een rente.

103. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een gesplitste inschrijving in vruchtgebruik – blote eigendom van de geschonken goederen, waardoor art. 2.7.1.0.7 VCF op zich genomen niet van toepassing is.

In combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF

104. Ook in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF lijkt ons art. 2.7.1.0.7 VCF niet van toepassing te zijn.

105. Er is fiscaal misbruik voorhanden wanneer de belastingplichtige een rechtshandeling stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van de fiscale bepaling, buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst.

106. In zijn arrest van 30 oktober 2013 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat om de doelstellingen van een fiscale bepaling te achterhalen rekening moet worden gehouden met de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan het misbruik wordt aangevoerd. Het Grondwettelijk Hof oordeelt in zijn arrest d.d. 30 oktober 2013 ook dat er rekening moet worden gehouden met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan. Ook de Minister van Financiën heeft in het kader van de gesplitste aankoop gemeld dat de algemene antimisbruikbepaling niet meer speelt als er een specifieke antimisbruikbepaling van toepassing is: “Artikel 9 van het Wetboek Successierechten is op zich reeds een antimisbruikbepaling wat ertoe geleid heeft dat de gesplitste aankoop niet meer opgenomen is in de lijst van verrichtingen waarop de nieuwe antimisbruikbepaling van toepassing kan zijn.”

107. De doelstelling van art. 2.7.1.0.7 VCF bestaat erin te vermijden dat erfbelasting zou worden ontweken door de blote eigendom rechtstreeks te doen inschrijven op naam van diegene die men bij zijn overlijden wil begiftigen. De zogenaamde “bedekte bevoordeling” wordt geviseerd, met name wanneer er sprake is van bedrog door de bevoordeling niet openlijk te kennen te geven.

Dit blijkt duidelijk uit de wettekst: “tenzij het bewezen wordt dat de verkrijging of de inschrijving niet een bedekte bevoordeling ten behoeve van de derde is”. Wanneer een tekstuele interpretatie toelaat om de tekst te begrijpen, mag men niet overgaan naar de tweede fase van de interpretatie waarbij dan de bedoeling van de wetgever wordt opgespoord. De doelstelling van een fiscale bepaling is duidelijk en vervat in de bepaling zelf, hetgeen ook het geval is voor art. 2.7.1.0.7 VCF.

108. Enkel wanneer de tekstuele interpretatie geen heil brengt moet gezocht worden naar de bedoeling van de wetgever. Deze bedoeling moet gezocht worden in de voorbereidende werken van de wet zelf en uitzonderlijk in de voorbereidende werken van vroegere of gelijkaardige wetten. Ook uit de Memorie van Toelichting van 1919 blijkt dat de doelstelling erin bestaat “bedekte bevoordelingen” te viseren: “…, zijn bepalingen tot voorkoming van bedrog. Zij hebben de strekking te beletten dat de overledene bij zijn leven niet over zijne goederen beschikke ten voordeele van personen, wien hij wenscht zijne nalatenschap over te maken en zulks vrij van alle belasting of door betaling van een registratierecht minder dan het erfenisrecht dat normaal opvorderbaar zou wezen”. Ook met het voorbeeld dat gegeven wordt in de Memorie van Toelichting komt diezelfde doelstelling naar voren: “Een vader belegt geld, in zijnen naam voor het vruchtgebruik en in naam van zijn kind voor den blooten eigendom, hetzij in inschrijvingen op naam, hetzij in hypothecaire of andere schuldvorderingen, hetzij in onroerend goed aankoopen. Het geld wordt door den vader verschaft; en bij diens dood wordt het kind volle eigenaar zonder een centiem belasting te betalen”. Uit dit voorbeeld volgt duidelijk dat de bedekking/het bedrog in de gesplitste inschrijving zelf dient te zitten. Dit wordt reeds sinds jaar en dag aangenomen, zie bijvoorbeeld M. Donnay: “Ainsi, l’article 9 n’est pas applicable si l’acquisition par le défunt pour l’usufruit et par son héritier pour la nue-propriété procède d’une donation ou d’une succession… Dans ces cas, il n’y a pas de fraude (sous la forme d’une libéralité déguisée), puisque l’opération elle-même se présente sous le caractère de libéralité.” en “Artikel 9 mag niet toegepast worden indien er bewezen wordt dat de effecten of fondsen die ingeschreven of gedeponeerd werden op naam van de overledene voor het vruchtgebruik en op naam van zijn erfgenaam voor de blote eigendom, hun in die verhouding toebehoorden daar zij het voorwerp hadden uitgemaakt van een vroegere schenking door de overledene aan zijn erfgenaam onder voorbehoud van vruchtgebruik, hetzij bij geregistreerde akte, hetzij bij niet-geregistreerde akte.

Doch het spreekt vanzelf dat, in deze laatste onderstelling, het successierecht bij toepassing van artikel 7 van het wetboek op de geschonken goederen verschuldigd is, indien de schenking plaatsgreep binnen de 3 jaren voor het overlijden”.

109. In casu is er geen sprake van een gesplitste inschrijving in vruchtgebruik – blote eigendom, laat staan van een bedekte bevoordeling in het kader van een gesplitste inschrijving. Er werd dus helemaal niet in strijd met (de doelstelling van) art. 2.7.1.0.7 VCF gehandeld.

110. Wel werd er in sommige schenkingsaktes (desgevallend bij wijzigende akte) voorzien in een last tot afstand van een rente, maar deze rente is geenszins gelijk te stellen met een vruchtgebruik. Door deze rente beschikt de schenker slechts over een persoonlijk vorderingsrecht op de begiftigden teneinde de rente ieder jaar op te vragen indien hij dit wenst, en niet over een zakenrechtelijk recht van vruchtgebruik op de geschonken vermogensbestanddelen.

111. Verder voldoet de voorziene rente volledig aan de vereiste die werd gesteld in de Voorafgaande Beslissing nr. 16046 d.d. 14 november 2016. Er is immers voldaan aan de vereiste dat de rente vast moet zijn en niet zo mag geformuleerd worden dat het gelijkstaat met een vruchtgebruik. In casu staat de rente vast. Deze bedraagt elk jaar maximaal 4% en is derhalve onafhankelijk van de vruchten die het geschonken vermogen heeft opgebracht in het betrokken kalenderjaar.

112. Ook het feit dat de schenking van bepaalde vermogensbestanddelen waarvoor delen van de burgerlijke maatschap E n de plaats zijn gekomen, is gebeurd met voorbehoud van het stemrecht in hoofde van de schenker(s), doet geen afbreuk aan het feit dat er geen schenking werd gedaan met een voorbehoud van vruchtgebruik. Over het stemrecht beschikken van een beperkt aantal delen van de burgerlijke maatschap E is immers geenszins gelijk te stellen met een zakenrechtelijk recht van vruchtgebruik op deze delen.

113. Aangezien er geen sprake is van een gesplitste inschrijving vruchtgebruik – blote eigendom, werd er geen rechtshandeling gesteld in strijd met (de doelstelling van) art. 2.7.1.0.7 VCF. De schenkingen en de akte van omzetting van het vruchtgebruik vallen derhalve niet onder het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.7 VCF, ook niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF.

Rechtszekerheidsbeginsel

114. Zelfs in de mate dat zou worden geoordeeld dat (sommige van) de schenkingen (desgevallend zoals gewijzigd), al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, onder het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.7 VCF vallen, dan is nog geen erfbelasting verschuldigd aangezien de voorafgaande schenking voor buitenlandse notaris wel nog als tegenbewijs van de bedekte bevoordeling kan dienen aangezien deze schenkingen/akte tot omzetting werden gedaan vóór 1 juni 2016. Het Standpunt nr. 15004 d.d. 3 oktober 2016, dat vermeldt dat art. 2.7.1.0.7 VCF eveneens van toepassing is op gesplitste inschrijvingen van effecten of geldbeleggingen en dat het tegenbewijs tegen het vermoeden van bevoordeling slechts kan worden geleverd op dezelfde wijze als bij een gesplitste aankoop en dus niet met een voorafgaande schenking waarop geen schenkbelasting werd betaald, is immers pas toepasbaar voor inschrijvingen vanaf 1 juni 2016. Het rechtszekerheidsbeginsel en daarbij in het bijzonder het beginsel van niet-retroactiviteit van administratieve beslissingen, dat ligt vervat in de Grondwet en minstens als algemeen rechtsbeginsel doorwerkt in het fiscaal recht, verzet zich immers tegen de retroactieve toepassing van nieuwe standpunten van de fiscale administratie.

Toepassing art. 2.7.1.0.7 VCF al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF na het stellen van de voorgenomen verrichtingen

115. Door het stellen van de voorgenomen verrichtingen dienen zowel de schenkers als de begiftigden hun goedkeuring te geven met betrekking tot de beslissingen die door de gewone en door de buitengewone algemene vergadering van de burgerlijke maatschap E dienen te worden genomen. Het geheel zal vervolgens ter registratie worden aangeboden en er zal 3% schenkbelasting worden betaald op de delen van de burgerlijke maatschap E (en de geldsom ingevolge de kapitaalverminderingen in deze maatschap in 2016 en in 2018) die in de plaats zijn gekomen van de geschonken delen van de respectievelijke maatschappen zoals vermeld in de historiek (doch met uitzondering van diegene waarop reeds schenkbelasting is voldaan).

116. Mocht er al een probleem zijn met de gestelde verrichtingen in het kader van artikel 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, dan is dit alleszins niet meer het geval ingevolge de voorgestelde aanpassingen.

117. Kan u ons bevestigen dat er na het stellen van de voorgenomen verrichtingen geen erfbelasting zal zijn verschuldigd bij het overlijden van een schenker terzake de delen van de burgerlijke maatschap E en terzake de (…) € die in de plaats ervan is gekomen dan wel op hetgeen hiervoor nog in de plaats zou komen, alsook op de interesten, vruchten en de meerwaarden van het geschonkene of van hetgeen ervoor nog in de plaats zal komen, noch op grond van art. 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van een andere wetsbepaling?

VRAAG 2: IS ART. 2.7.1.0.9 VCF, AL DAN NIET IN COMBINATIE MET ART. 3.17.0.0.2 VCF, VAN TOEPASSING NA HET STELLEN VAN DE VOORGENOMEN VERRICHTINGEN?

Toepassingsgebied art. 2.7.1.0.9 VCF

118. Art. 2.7.1.0.9 VCF luidt als volgt:

“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als:

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

119. Art. 2.7.1.0.9 VCF viseert (onder meer) goederen die door de erflater onder bezwarende titel werden afgestaan, onder voorbehoud van een levenslang recht, waarbij een bedekte bevoordeling voorligt.

Geen toepassing mogelijk als rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd

120. De schenkingen van de heer X en/of mevrouw Y aan hun kinderen zijn niet bedekt, maar worden openlijk als een schenking gekwalificeerd. Art. 2.7.1.0.9 VCF kan dus niet van toepassing zijn.

121. Dit artikel viseert immers enkel rechtshandelingen ten kosteloze titel die bewust verkeerd worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten bezwarende titel, en niet rechtshandelingen ten bezwarende titel die onbewust “verkeerd” worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten kosteloze titel.

122. Zie hierover uitdrukkelijk in M. Donnay: “L’article 11 est de même hors cause en cas de donation par le défunt avec réserve d’usufruit ou à charge de lui payer une rente. Dans ces cas, il n’y a pas de fraude (sous la forme d’une libéralité déguisée), puisque l’opération elle-même se présente sous le caractère de libéralité. ”

Geen overeenkomst ten bezwarende titel

123. In de mate toch zou worden geoordeeld dat art. 2.7.1.0.9 VCF van toepassing kan zijn als de rechtshandeling openlijk wordt gekwalificeerd als een schenking dient te worden gesteld dat de vermogensoverdracht van de heer X en/of mevrouw Y aan hun kinderen niet onder bezwarende titel is gebeurd.

124. Een overeenkomst ten bezwarende titel houdt immers in dat er een wederkerige overeenkomst is die voor beide partijen een pecuniair voordeel oplevert. Levert zij voor één van de partijen geen dergelijk voordeel op, dan is zij om niet. Wanneer een vermogensbestanddeel derhalve zonder gelijkwaardig geachte economische tegenprestaties van een vermogen naar een ander gaat, ligt er een overeenkomst om niet voor.

125. Teneinde een overeenkomst te kwalificeren moet worden gekeken naar de bedoeling van de partijen. Er dient immers te worden bekeken of de prestaties subjectief gelijkwaardig zijn, of niet. De schenkingsovereenkomsten waren duidelijk bedoeld om ten kosteloze titel te geschieden.

126. De heer en mevrouw X – Y hebben immers delen van de respectievelijke burgerlijke maatschappen aan hun kinderen geschonken, zonder dat hun kinderen hiervoor bij de verkrijging van deze goederen een gelijkwaardige tegenprestatie dienden te leveren ten voordele van hen. Enkel de kinderen bekomen een economisch voordeel door de schenkingen. Zij hebben zich verrijkt, terwijl de ouders zich hebben verarmd. Daarnaast blijkt ook uit een aantal modaliteiten dat de akte ten titel van schenking en dus ten kosteloze titel is gesteld. Er wordt bijvoorbeeld verwezen naar de artikelen uit het Burgerlijk Wetboek omtrent de herroeping van een schenking indien de last uit de schenking niet wordt nageleefd door de begiftigden en er wordt bepaald dat de schenking is gebeurd als voorschot op erfdeel.

127. Dat bepaalde schenkingen (soms na omzetting van het vruchtgebruik in volle eigendom met last tot afstand van een rente) werden gedaan onder de last om jaarlijks een rente van 4% (bij schenking gemeenschappelijk vermogen te reduceren naar 2% na overlijden eerststervende van de schenkers) van het geschonken vermogen af te staan aan de schenker(s), doet geen afbreuk aan het kosteloze karakter van de schenking. De jaarlijkse rente is immers een last verbonden aan de schenking, maar deze last kan perfect worden voldaan met het geschonken vermogen. De begiftigden dienen nooit hun eigen vermogen aan te spreken om de last tot afstand van een rente te voldoen.

128. De begiftigden zullen zich dus in geen enkel geval verarmen door het aanvaarden van de schenking. Er ligt duidelijk geen contract ten bezwarende titel voor, zelfs geen kanscontract. Een kanscontract houdt immers in dat de partijen niet weten of zij voordeel of nadeel uit de rechtshandeling zullen halen. In casu zullen de begiftigden nooit nadeel halen uit de geschetste rechtshandelingen. De begiftigden hebben derhalve niets te verliezen bij het aangaan van de overeenkomst, alleen maar te winnen. Voor de schenker geldt het omgekeerde.

129. Aangezien de voormelde schenkingen van de heer X en/of mevrouw Y aan hun kinderen gedaan nooit als een overeenkomst ten bezwarende titel kunnen kwalificeren, kan art. 2.7.1.0.9 VCF niet worden toegepast (als men al van oordeel zou zijn dat art. 2.7.1.0.9 VCF überhaupt van toepassing kan zijn als de rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd).

In combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF

130. Ook in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF kan art. 2.7.1.0.9 VCF niet van toepassing zijn.

131. Er is fiscaal misbruik voorhanden wanneer de belastingplichtige een rechtshandeling stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van de fiscale bepaling, buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst. Wanneer een tekstuele interpretatie toelaat om de tekst te begrijpen, mag men niet overgaan naar de tweede fase van de interpretatie waarbij dan de bedoeling van de wetgever wordt opgespoord.

132. De doelstelling van een fiscale bepaling is duidelijk en vervat in de bepaling zelf, hetgeen ook het geval is voor art. 2.7.1.0.9 VCF.

133. Enkel wanneer de tekstuele interpretatie geen heil brengt moet gezocht worden naar de bedoeling van de wetgever. Deze bedoeling moet gezocht worden in de voorbereidende werken van de wet zelf en uitzonderlijk in de voorbereidende werken van vroegere of gelijkaardige wetten.

134. In zijn arrest van 30 oktober 2013 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat om de doelstelling van een fiscale bepaling te achterhalen rekening moet worden gehouden met de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan zij het misbruik aanvoert.

135. De doelstelling van art. 2.7.1.0.9 VCF bestaat erin de overeenkomst die in het vooruitzicht van het overlijden van de schenker onder het mom van een vervreemding ten bezwarende titel werd gedaan maar eigenlijk een schenking is, te belasten in de erfbelasting. Ook met het voorbeeld dat gegeven wordt in de Memorie van Toelichting komt diezelfde doelstelling naar voren: “Eindelijk, ziet men vaak personen, in het vooruitzicht van hun overlijden, aan hunne wettige of aangestelde erfgenamen alle hunne goederen of een deel daarvan mits eene lijfrente afstaan. De akte wordt geboekt tegen het voor verkoopen bepaalde recht en de schatkist blijft verstoken van het verschil tusschen dit recht en het erfenisrecht”.

136. In casu werd de begiftiging naar de erfgenamen helemaal niet verborgen gehouden, integendeel. Er werd duidelijk vermeld dat de overeenkomsten als een schenking zijn bedoeld. Er is dus helemaal geen sprake van bedrog. Art. 2.7.1.0.9 VCF is dan ook niet van toepassing op de voormelde schenkingen (in voorkomend geval zoals gewijzigd in 2014), ook niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF.

Rechtszekerheidsbeginsel

137. Maar zelfs in de mate dat zou worden geoordeeld dat een schenking waarin, in functie van de leeftijd van de schenker en de (waarde van de) geschonken goederen, een (te) hoge rente werd voorzien voor de schenker waardoor de begiftigden eventueel op termijn weinig tot niets van de schenking zouden overhouden, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF onder het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.9 VCF valt, dan verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen de toepassing ervan op schenkingsakten die in het verleden werden gesteld.

138. Het rechtszekerheidsbeginsel en daarbij in het bijzonder het beginsel van niet-retroactiviteit van administratieve beslissingen, dat ligt vervat in de Grondwet en minstens als algemeen rechtsbeginsel doorwerkt in het fiscaal recht, verzet zich immers tegen de retroactieve toepassing van nieuwe standpunten van de fiscale administratie.

139. Een schenking met een last tot afstand van een rente (desgevallend na omzetting van het voorbehouden vruchtgebruik in een last tot afstand van een rente) werd in het verleden nooit in vraag gesteld in het licht van art. 2.7.1.0.9 VCF. Indien de schenkingsakte voor Nederlandse notaris werd verleden of via bankgift is verlopen, werd er in het verleden nooit erfbelasting gevestigd op grond van art. 2.7.1.0.9 VCF bij het overlijden van de schenker. Indien de schenkingsakte voor Belgische notaris werd verleden, werd er steeds schenkbelasting geheven en werd nooit geoordeeld dat slechts het algemeen vast recht was verschuldigd (in de hypothese dat het roerende goederen betrof) aangezien het om een overeenkomst ten bezwarende titel zou gaan. Art. 2.7.1.0.9 VCF werd overigens niet ingevoerd om deze situatie te belasten.

140. De fictiebepaling van art. 2.7.1.0.9 VCF heeft een eigen autonoom toepassingsgebied, nl. het belasten van bevoordelingen die onder het mom van een contract ten bezwarende titel verborgen werden gehouden voor de fiscale administratie.

141. Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en in de lijn met wat de Vlaamse Belastingdienst steeds naar voren schuift inzake standpunten die een breuk met het verleden vormen, kan het nieuwe standpunt ten vroegste vanaf publicatie van de Voorafgaande Beslissing met nummer 16046 worden toegepast, zijnde ten vroegste voor wat betreft schenkingsakten verleden vanaf 30 november 2016.

Toepassing art. 2.7.1.0.9 VCF al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF na het stellen van de voorgenomen verrichtingen

142. Door het stellen van de voorgenomen verrichtingen en meer bepaald door de verduidelijking van de modaliteiten van de schenkingsaktes beschreven onder III. C. (iii) in hoofdzaak verduidelijking inzake opname rente) wordt, ook al was dit reeds ontegensprekelijk het geval, nogmaals verduidelijkt dat een schenking voorligt. Minstens na de voorgenomen aanpassingen kan er aldus geen twijfel meer zijn over het feit dat art. 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, niet van toepassing kan zijn.

143. Kan u ons bevestigen dat er na het stellen van de voorgenomen verrichtingen geen erfbelasting zal zijn verschuldigd bij het overlijden van een schenker terzake de delen van de burgerlijke maatschap E en terzake de (…) € die in de plaats ervan is gekomen dan wel op hetgeen hiervoor nog in de plaats zou komen, alsook op de interesten, vruchten en de meerwaarden van het geschonkene of van hetgeen ervoor nog in de plaats zal komen, noch op grond van art. 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van een andere wetsbepaling, ongeacht of de rente al dan niet, deels dan wel geheel, wordt opgenomen door de schenker?

VRAAG 3: IS ART. 2.7.1.0.3, 3° VCF, AL DAN NIET IN COMBINATIE MET ART. 3.17.0.0.2 VCF, VAN TOEPASSING NA HET STELLEN VAN DE VOORGENOMEN VERRICHTINGEN?

Toepassingsgebied art. 2.7.1.0.3, 3° VCF

144. Art. 2.7.1.0.3, 3° VCF luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.”

145. Art. 2.7.1.0.3., 3° VCF viseert schenkingen die werden gedaan onder de opschortende voorwaarde/termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Geen schenking onder de opschortende voorwaarde/termijn van overlijden van de schenker

146. De voormelde schenkingen werden niet gedaan onder de opschortende voorwaarde/termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. Dat een vervreemdingsverbod werd voorzien gedurende het leven van de schenker doet hieraan geen afbreuk, integendeel. Dat de geschonken goederen delen van een burgerlijke maatschap zijn, waardoor de begiftigden pas bij het overlijden van de langstlevende van de schenkers (of geruime tijd na de schenking) over de ingebrachte vermogensbestanddelen an sich kunnen beschikken, doet hier evenmin afbreuk aan. Net zoals een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik kan een schenking van delen van een burgerlijke maatschap gezien worden als een last van de schenking, die de begiftigde moet aanvaarden in de mate hij de schenking aanvaardt.

De geschonken goederen, nl. de delen van de burgerlijke maatschappen, zijn definitief uit het vermogen van de schenker verdwenen.

147. De schenking valt derhalve niet binnen het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF.

In combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF

148. Ook in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF is art. 2.7.1.0.3,3° VCF niet van toepassing.

149. Er is fiscaal misbruik voorhanden wanneer de belastingplichtige een rechtshandeling stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van de fiscale bepaling, buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst.

150. Wanneer een tekstuele interpretatie toelaat om de tekst te begrijpen, mag men niet overgaan naar de tweede fase van de interpretatie waarbij dan de bedoeling van de wetgever wordt opgespoord. De doelstelling van een fiscale bepaling is duidelijk en vervat in de bepaling zelf, hetgeen ook het geval is voor art. 2.7.1.0.3,3°. VCF.

151. Enkel wanneer de tekstuele interpretatie geen heil brengt moet gezocht worden naar de bedoeling van de wetgever. Deze bedoeling moet gezocht worden in de voorbereidende werken van de wet zelf en uitzonderlijk in de voorbereidende werken van vroegere of gelijkaardige wetten. In zijn arrest van 30 oktober 2013 oordeelt het Grondwettelijk Hof tevens dat om de doelstelling van een fiscale bepaling te achterhalen rekening moet worden gehouden met de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan zij het misbruik aanvoert.

152. De fictiebepaling van art. 2.7.1.0.3,3° VCF werd ingevoerd om te vermijden dat de nieuwe verlaagde tarieven voor schenkingen van roerende goederen van 3% en 7% ook zouden kunnen worden toegepast ten aanzien van schenkingen gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. Bij de invoering van de fictiebepaling van art. 2.7.1.0.3,3° VCF was het gebruik van een burgerlijke maatschap in het kader van een vermogensplanning reeds gekend. Het was dan ook zeker niet de bedoeling om een schenking in combinatie met een burgerlijke maatschap aan te pakken via deze fictiebepaling.

153. De doelstelling van deze fictiebepaling blijkt duidelijk uit de Memorie van Toelichting: “Er blijkt echter een gemakkelijke manier te bestaan om enerzijds het voordeel van het verlaagde tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van het overlijden. Een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden, geeft immers bij registratie van de akte slechts aanleiding tot de heffing van het algemeen vast recht van 25 euro, overeenkomstig de principes van artikel 16 van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. Slechts op het ogenblik van het overlijden zal het evenredige recht, met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht, opeisbaar worden. En dat was eigenlijk niet de bedoeling die de decreetgever zich met de invoering van de bijzonder verlaagde tarieven had vooropgesteld. Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.”. Ook de Vlaamse minister van Financiën heeft de doelstelling van (oud) art. 4,3° Vl.W.Succ. in die zin bevestigd: “Uit de parlementaire voorbereiding blijkt duidelijk dat deze aanpassing misbruiken aangaande het vlak tarief voor schenkingen van roerende goederen wilde bestrijden. In de praktijk bleek er immers een gemakkelijke manier om enerzijds het voordeel van het verlaagde tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van overlijden zodat slechts op het ogenblik van het overlijden het evenredige recht (met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht) opeisbaar werd. Dat was uiteraard niet te bedoeling bij de invoering van de bijzonder verlaagde rechten. Burgerrechtelijk heeft een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden immers vrijwel dezelfde gevolgen als een legaat terwijl ze fiscaalrechtelijk sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief werden onderworpen… De oorsprong van artikel 4, 3° Vl. W. Succ. komt dus duidelijk tegemoet aan een legitieme en rechtvaardige doelstelling, namelijk de wens om misbruiken te bestrijden… Het blijft belangrijk om goede maatregelen zoals het vlak tarief inzake schenking van roerende goederen niet te laten ondermijnen door misbruik van dergelijke maatregelen”. Nadien werd ook een schenking gedaan onder de opschortende termijn van het overlijden van de schenker uitdrukkelijk geviseerd.

154. De voormelde schenkingen werden niet gedaan onder de opschortende voorwaarde/termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. Bij een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde/termijn bevindt de eigendom van de geschonken goederen zich nog bij de schenker en dit zolang de opschortende voorwaarde/termijn zich niet heeft vervuld. De eigendom van de geschonken goederen gaat dus pas over bij het vervullen van de opschortende voorwaarde/termijn van overlijden van de schenker. Door de schenking van de delen van de burgerlijke maatschappen zijn deze vermogensbestanddelen definitief uit het vermogen van de heer X en mevrouw Y verdwenen aangezien de eigendom ervan inmiddels aan de begiftigden is toegekomen.

155. Daarnaast kan art. 2.7.1.0.3,3° VCF overeenkomstig de ratio legis slechts van toepassing zijn op schenkingen die vrijwillig ter registratie werden aangeboden of verplicht registreerbaar zijn. Immers, enkel bij deze schenkingen worden de verlaagde tarieven toegepast, ook al verkrijgen de begiftigden de geschonken goederen pas bij het overlijden van de schenker, waardoor een misbruik voorligt van de verlaagde tarieven bij schenkingen van roerende goederen. Het was dan ook in die optiek dat de fiscale administratie met haar administratieve beslissing van 26 april 2005 van mening was dat (oud) art. 4, 3° Vl.W.Succ. enkel van toepassing was bij vrijwillig ter registratie aangeboden schenkingen of verplicht registreerbare schenkingen.

156. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest d.d. 30 oktober 2013 geoordeeld dat er rekening moet worden gehouden met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan. Ook de Minister van Financiën heeft in het kader van de gesplitste aankoop gemeld dat de algemene antimisbruikbepaling niet meer speelt als er een specifieke antimisbruikbepaling van toepassing is: “Artikel 9 van het Wetboek Successierechten is op zich reeds een antimisbruikbepaling wat ertoe geleid heeft dat de gesplitste aankoop niet meer opgenomen is in de lijst van verrichtingen waarop de nieuwe antimisbruikbepaling van toepassing kan zijn.” De specifieke antimisbruikbepaling van art. 2.7.1.0.3., 3° VCF bestaat erin te vermijden dat van de verlaagde tarieven in de schenkbelasting misbruik zou worden gemaakt door een geregistreerde schenking te doen waarbij de begiftigden de geschonken goederen pas bij overlijden van de schenker verkrijgen, maar in dat geval slechts de verlaagde tarieven van de schenkbelasting zijn verschuldigd in plaats van de hogere tarieven van de erfbelasting. Wordt een niet verplicht te registreren schenking niet vrijwillig ter registratie aangeboden, dan is niet art. 2.7.1.0.3., 3° VCF van toepassing, maar wel art. 2.7.1.0.5. VCF. Elke fictiebepaling heeft immers een eigen autonoom toepassingsgebied.

157. Uit de Voorafgaande Beslissing nr. 16046 d.d. 14 november 2016 blijkt evenwel dat de Vlaamse Belastingdienst meent dat met de voorafgaande oprichting van een burgerlijke maatschap waarna een schenking volgt het enkel de bedoeling is de volledige controle over het vermogen van de burgerlijke maatschap te behouden en dat hiermee wordt geprobeerd om de toepassing van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF te omzeilen aangezien de rechtsgevolgen van de vooropgestelde constructie identiek zijn aan deze van schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. De voorafgaande oprichting van een burgerlijke maatschap waarna de delen worden geschonken heeft niet dezelfde rechtsgevolgen als deze van een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde/termijn van overlijden van de schenker, zeker niet in voorliggend geval.

158. Door de schenking van de delen van de burgerlijke maatschappen zijn de geschonken delen definitief uit het vermogen van de heer en mevrouw X-Y verdwenen.

159. Deze behoren geenszins nog tot hun eigendom. Bij een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde/termijn bevindt de eigendom van de geschonken goederen zich nog bij de schenker en dit zolang de opschortende voorwaarde/termijn zich niet heeft vervuld. De eigendom van de geschonken goederen gaat dus pas over bij het vervullen van de opschortende voorwaarde/termijn van overlijden van de schenker, terwijl dit bij de schenking van delen van de burgerlijke maatschap onmiddellijk gebeurt. Bij de schenking van de delen van de burgerlijke maatschap dienen de begiftigden bijvoorbeeld vanaf het ogenblik van de schenking de inkomstenbelastingen te voldoen van de in de burgerlijke maatschap aangehouden vermogensbestanddelen.

160. Bij een schenking onder opschortende voorwaarde/termijn dient de schenker de inkomstenbelastingen te voldoen. Pas bij zijn overlijden dienen de begiftigden dit te voldoen. Er is dus een fundamenteel verschil. Daarnaast is zoals hierboven uiteengezet de doelstelling van art. 2.7.1.0.3., 3° VCF niet gefrustreerd en dat is overigens de enige toetssteen van de toepassing van art. 3.17.0.0.2 VCF, niet de soortgelijke rechtsgevolgen.

161. Thans wordt verder opgemerkt dat art. 3.17.0.0.2 VCF enkel van toepassing kan zijn voor rechtshandelingen gesteld vanaf 1 juni 2012. In voorliggend dossier bevonden zich alle activa met uitzondering van deze geschonken bij akte van 2014 zich reeds in een burgerlijke maatschap voor deze datum zodat men ook via art. 3.17.0.0.2 VCF om niet kan komen tot de toepassing van art. 2.7.1.0.3., 3° VCF.

Doorslaggevende niet-fiscale motieven

162. In de mate toch tot fiscaal misbruik zou worden besloten, quod non, dan zijn er in casu wel doorslaggevende niet-fiscale motieven. De burgerlijke maatschap heeft immers als voornaamste doelstelling de instandhouding van het familiaal vermogen teneinde te vermijden dat het familiaal vermogen zou verbrokkelen tussen de verscheidene begiftigden.

Toepassing art. 2.7.1.0.3,3° VCF al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF na het stellen van de voorgenomen verrichtingen

163. Door de aandelen vóór de (her)schenking in te brengen in een burgerlijke maatschap beschikt de schenker ook na de schenking over de beheers- en beschikkingsbevoegdheid van deze aandelen in naam en voor rekening van de begiftigden (niet van de geschonken delen, de schenker heeft immers definitief en onherroepelijk afstand gedaan van de geschonken vermogensbestanddelen – reden waarom de aanvragers menen dat art. 2.7.1.0.3., 3° VCF niet van toepassing is). Het lijkt de aanvragers dan ook dat, in de mate dat art. 2.7.1.0.3., 3° VCF van toepassing is, hetgeen dus evenwel volgens de aanvragers niet het geval is, de toepassing ervan hoe dan ook kan worden vermeden door middels statutenwijziging van de burgerlijke maatschap de zeggenschap van de zaakvoerder af te zwakken in die mate dat de zaakvoerder wel nog het beheer kan uitoefenen over de vermogensbestanddelen aangehouden via de maatschap en over al hetgeen ervoor in de plaats komt door belegging, wederbelegging of zaakvervanging, maar geenszins nog alleen over de beschikkingsbevoegdheid ervan zal beschikken. Daden van beheer kunnen alsdan door de zaakvoerder (schenker) alleen worden gesteld terwijl daden van beschikking met unanimiteit door de algemene vergadering van de burgerlijke maatschap (schenker en begiftigden samen) moeten worden gesteld. Daden van beheer en daden van beschikking zouden dan worden gedefinieerd. Bij discussie over de kwalificatie als daad van beheer of daad van beschikking dient de daad te worden beschouwd als een daad van beschikking en dient deze daad derhalve met unanimiteit door de algemene vergadering van de burgerlijke maatschap (schenker en begiftigden samen) te worden gesteld. Om dit te verwezenlijken worden de Statuten van de burgerlijke maatschap E aangepast overeenkomstig hetgeen beschreven onder A., i., ii. en iii. Na deze aanpassing van de Statuten kan er dus al helemaal geen toepassing meer zijn van art. 2.7.1.0.3,3° VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF.

164. Kan u ons bevestigen dat er na het stellen van de voorgenomen verrichtingen geen erfbelasting zal zijn verschuldigd bij het overlijden van een schenker terzake de delen van de burgerlijke maatschap E en terzake de (…) € die in de plaats ervan is gekomen dan wel op hetgeen hiervoor nog in de plaats zou komen, alsook op de interesten, vruchten en de meerwaarden van het geschonkene of van hetgeen ervoor nog in de plaats zal komen, noch op grond van art. 2.7.1.0.3,3° VCF, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF, noch op grond van een andere wetsbepaling?

165. Tevens verzoeken wij u om overeenkomstig art. 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF te bepalen dat gelet op het voorwerp van de Voorafgaande Beslissing deze geldig zal zijn tot en met het ogenblik van het overlijden van de langstlevende van heer X en mevrouw Y, ongeacht wanneer dit plaatsvindt, met dien verstande dat de voorgenomen verrichtingen zelf binnen de vijf jaar dienen te worden gesteld.

IV. Beslissing

166. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
167. Op de vraag naar de gevolgen op het vlak van erfbelasting bij overlijden van de schenkers in verband met de rechtshandelingen die reeds hadden plaatsgevonden (met name de handelingen omschreven onder randnummers 10 t.e.m. 72), kan niet verder worden ingegaan aangezien er geen voorafgaande beslissingen kunnen worden afgeleverd over het aanwenden van bewijsmiddelen.

168. Bovendien is Vlabel niet bevoegd om zich uit te spreken over de burgerrechtelijke geldigheid van het herroepen van schenkingen tussen echtgenoten en het wijzigen van de modaliteiten van een reeds gedane schenking.

169. Bijgevolg kan enkel een beslissing worden genomen over de fiscale gevolgen van de concreet voorgestelde aanpassingen zoals vermeld onder randnummers 73 tot en met 100, meer bepaald naar de gevolgen voor de toepassing van de artikelen 2.7.1.0.7, 2.7.1.0.9, en 2.7.1.0.3,3° al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF. Bij toepassing van artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF kan enkel een beslissing worden afgeleverd over de genoemde artikelen.

VRAAG 1: Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF

170. Artikel 2.7.1.0.7 VCF luidt als volgt:

De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing :
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

171. Vermits er met betrekking tot de betrokken goederen thans geen gesplitste inschrijving voor het vruchtgebruik en de blote eigendom bestaat, is artikel 2.7.1.0.7 VCF niet van toepassing.

VRAAG 2: Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF

172. Artikel 2.7.1.0.9 VCF luidt als volgt:

“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

173. Aanvragers verklaren dat er een nieuwe akte zal worden verleden voor een Belgische notaris waarbij

- de heer X een schenking zal doen aan zijn kinderen van hetgeen ingevolge de herroeping (zie randnummers 74-75) in zijn vermogen terugkeert;

- de reeds gedane schenkingen (zie randnummer 89) zullen worden bevestigd;

- alle voorwaarden zullen worden gestroomlijnd in die zin dat zij dezelfde zijn voor alle geschonken delen van de maatschap E met uitzondering van het voorbehoud van stemrecht en met uitzondering van de last tot afstand van een rente.

174. De draagwijdte van de last tot afstand van een rente die actueel rust op 5.523 delen van de burgerlijke maatschap E wordt verduidelijkt door aanpassingen in de schenkingsakte en de wijzigingsakte van 2014 in die zin dat de hoogte van de opvraging van de rentes beperkt wordt. Dit wordt geformuleerd als volgt: “De uitoefening van deze last kan uiteraard nooit tot gevolg hebben dat de Begiftigden meer dienen af te staan dan dat zij geschonken hebben gekregen. Dit dient aldus te worden geïnterpreteerd en gelezen dat de mogelijkheid tot het opvragen van achtereenvolgende rentes in hoofde van de Schenkers vanzelfsprekend niet zo ver kan gaan dat er geen duidelijke schenking meer voorligt. Het opvragen van de achtereenvolgende rentes dient derhalve uiteraard steeds (in álle omstandigheden) aldus te gebeuren dat er een substantiële verrijking aanwezig is en blijft in hoofde van de Begiftigden (en een substantiële verarming in hoofde van de Schenkers) en dient derhalve steeds indien nodig binnen deze grenzen beperkt te worden. Teneinde hierover alle onduidelijkheden te vermijden, bepalen Partijen hierbij alvast dat het nooit zo kan zijn dat het opvragen of opnemen van de achtereenvolgende rentes ertoe leidt dat aan de Begiftigden meer zou kunnen worden gevraagd dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, waarbij deze totale waarde op datum schenking (…) € bedraagt. In de mate de Begiftigden op een bepaald ogenblik van opvraging of opname niet minstens 40% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden (en ongeacht wat daartoe de reden is), kunnen de Schenkers op dat ogenblik geen rente opvragen of opnemen, ook al hebben de Schenkers op dat ogenblik nog geen 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, opgevraagd aan de Begiftigden. Vanaf het ogenblik dat de Begiftigden wel minstens 40% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, zouden kunnen behouden, kunnen de Schenkers opnieuw de rente opvragen of opnemen, zij het dat zij uiteraard nooit meer dan 60% van de waarde van de geschonken goederen gewaardeerd op het ogenblik van de schenking, zoals vermeld, kunnen opvragen aan de Begiftigden”.

175. Hiermee wordt beoogd dat inzake de schenking zelf de last niet zo hoog gaat oplopen dat het in feite geen schenking meer is waardoor er zich een herkwalificatie naar een contract onder bezwarende titel zou opdringen.

176. Vlabel aanvaardt dat door de thans voorgelegde plafonnering van de last de schenking niet worden uitgeput, zodat er geen herkwalificatie naar een contract onder bezwarende titel zal gebeuren.

177. Bijgevolg vindt artikel 2.7.1.0.9 VCF geen toepassing op de (aangepaste) schenkingen.

VRAAG 3: Mogelijke toepassing van de artikelen 2.7.1.0.3,3° VCF en 3.17.0.0.2 VCF

178. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF luiden als volgt:

Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :


3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.”

Artikel 3.17.0.0.2 VCF:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

179. Om reeds hoger aangehaalde redenen wordt geen uitspraak gedaan over de eventuele toepassing van de antimisbruikbepaling op de gestelde rechtshandelingen vóór de voorgelegde aanpassingen.

180. Het voorbehoud van stemrecht dat actueel op 5.523 delen van de burgerlijke maatschap E rust, zal volgens de aanvragers worden gereduceerd tot 6 delen door enerzijds de schrapping van de bepaling “Afstand van het voorbehoud van stemrecht” zoals opgenomen in de wijzigingsakte van 2014 en anderzijds de vervanging van de bepaling “Afstand van het voorbehoud van stemrecht” in de schenkingsakte van 2014 (van de delen categorie F) door volgende bepaling: “Voorbehoud van stemrecht: De schenking is gedaan onder voorbehoud van stemrecht op de delen met nummers 2.709, 2.710, 5.844, 5.845, 8.979 en 8.980 en zodoende dus onder de last dat de Schenkers, meer bepaald de heer X voor wat betreft de nrs. 2.709, 5.844 en 8.979 en mevrouw Y voor wat betreft de nrs. 2.710, 5.845 en 8.980 exclusief (en tevens met uitsluiting van de Begiftigden zelf), levenslang en onherroepelijk het stemrecht zullen uitoefenen verbonden aan deze zes Delen of aan hetgeen, al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging of subrogatie, belegging of wederbelegging ervoor in de plaats zou komen.”

181. Daarnaast worden nog een aantal aanpassingen aan de statuten van de maatschap E voorgelegd teneinde de bevoegdheden van de schenkers/zaakvoerders af te zwakken tot loutere daden van beheer over de activa die de burgerlijke maatschap aanhoudt en teneinde de categorieën van delen af te schaffen.

182. Met al deze aanpassingen wordt beoogd het niveau van het controlebehoud over de burgerlijke maatschap (en dus ook over de geschonken goederen) door de schenker terug te schroeven, zodat de antimisbruikbepaling niet wordt toegepast wegens het ontwijken van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF.

183. Ingevolge deze aanpassingen en gelet op de concrete omstandigheden van dit dossier wordt aanvaard dat de mate van controlebehoud door de schenker in casu van die aard is, dat geen toepassing wordt gemaakt van art. 3.17.0.0.2 VCF wegens ontwijking van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF.

184. Aanvragers stellen dat de aangepaste gecoördineerde statuten van de maatschap E samen met de akte waarvan sprake onder C (zie randnummer 87 e.v.) ter registratie zullen worden aangeboden.

185. Deze beslissing heeft alleen betrekking op erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.