Nieuws

Terug naar overzicht

Lepelaars in de Verrebroekse Plassen

De Verrebroekse Plassen, in de Waaslandhaven, zijn een tijdelijk natuurgebied waar in 2003 voor de eerste keer in Vlaanderen lepelaars begonnen te broeden. Aanvankelijk broedden de lepelaars in het riet en tussen de kokmeeuwen, maar toen de kolonie begon te groeien, kozen de vogels een takkenhoop uit in het water en maakten ze daar een heus broedeiland van.

De kolonie groeide stevig aan en telde vrij snel 15 tot 20 broedparen. En sinds het broedeiland beschermd wordt tegen de vos (een predator die zich tegoed doet aan eieren en jongen) door een omheining, zijn er een 35-tal broedparen geteld. 

Toen het INBO op 17 juli 2023 de kolonie ging onderzoeken, kwamen de tellingen uit op 48 nesten. Geert Spanoghe, onderzoeker bij het team Estuaria: “Momenteel is er ook een tweede, late lichting met nesten. We telden net nog 26 actieve nesten en aangezien het al juli is, is dat eigenlijk vrij laat. We vonden zelfs nesten waarin pas eieren gelegd waren.”

De kolonie lepelaars doet het goed in de Verrebroekse Plassen en is de grootste Vlaamse kolonie. “In Nederland bestaan er echter nog veel grotere kolonies met tientallen en honderden broedparen”, zegt Spanoghe.

Gevaren in en om de haven

De kolonie lepelaars in de Antwerpse haven mag dan stevig groeien, toch is de omgeving voor hen niet zonder gevaar. Spanoghe: “We zitten hier in de haven op de grens van de harde industrie met meer natuur. In het Noorden ligt Antwerpen, met de Schelde stroomopwaarts. En richting Nederland, in het Zuiden, is er meer natuur, waar een paar grote gebieden zijn - zoals Putten-West, Doelpolder-Noord en Prosperpolder – die door de lepelaars worden gebruikt om te foerageren. Ze vangen er vissen en garnalen.”

Eiland van lepelaars (foto INBO)

De oversteek van het leefgebied in de haven naar natuurgebieden om te foerageren is niet zonder gevaar. Spanoghe: “De vogels vliegen tot in Saeftinghe, meer dan tien kilometer verderop om eten te gaan zoeken. Saeftinghe biedt hen 3800 hectare slikkengebied. Dat is een veilige en voedselrijke zone voor de vogels. Maar de ruimte die ze moeten overvliegen over de haven is daarentegen niet echt veilig te noemen. Dat geldt niet alleen voor lepelaars, maar ook voor andere grote vogels. Behalve de havenactiviteit zijn er veel hoogspanningslijnen, hoge gebouwen en windmolens. Die moeten de vogels zien te ontwijken tijdens hun vlucht. En dat lukt hen niet altijd.  We zien de laatste jaren dat er redelijk veel aanvaringsslachtoffers zijn onder de lepelaars, maar ook bij andere soorten zoals wulp, roerdomp en geoorde fuut. Dat zijn stuk voor stuk zeldzame watervogels in Vlaanderen die het slachtoffer worden van hoogspanningskabels of windmolens.”

Zoeken naar oplossingen

De nabijheid van windmolens en hoogspanningskabels in het leefgebied van lepelaars brengt een aantal vragen met zich mee, zoals: valt het te voorspellen in welke periode van het jaar lepelaars en andere watervogels meer kwetsbaar zijn voor aanvaringen? Hoe vliegen ze exact: over de haven, heen en terug, door de gevaarlijke zones? Vliegen ze ook ’s nachts of enkel overdag? En vliegen de lepelaars in familieverband of eerder solitair?

“Het antwoord op deze vragen zou je kunnen krijgen met zichtwaarnemingen, maar dan dan sta je uren en uren te turen door een verrekijker om heel weinig te weten te komen. Bovendien zijn lepelaars vrij snel uit het zicht verdwenen. Dit is een vrij onoverzichtelijk gebied om lepelaars op te volgen met zichtwaarnemingen.  Daarom kozen we voor een andere onderzoeksmethode: we brengen zenders aan. Vorig jaar, in 2022, en ook dit jaar, in 2023, kregen telkens vijf jonge lepelaars – die op punt staan van uitvliegen- een zender op de rug”, vertelt Spanoghe.

De vogels worden gevangen op het broedeiland en krijgen een zendertje om. De zenders worden voorzichtig aangebracht op de rug van de jonge dieren en zien eruit als kleine harnasjes. Ze geven ons heel wat belangrijk data door: gps-data, hoogtedata, snelheidsdata, richtingsdata, … Bovendien heeft elke zender ook een fotovoltaïsche cel waardoor de zenders, hier in een open gebied en voor hele seizoen waarin de lepelaars aanwezig zijn, dus van juni tot september, ons dagelijks data doorsturen.  De zenders zijn krachtig genoeg om ons informatie te geven over 100 punten per dag. “We kunnen dus echt de vlieglijnen van de vogels volgen, en dat per seconde en om het even waar ze naartoe vliegen in Europa”, aldus Spanoghe.

Meten is weten

Behalve een zender krijgen de jonge vogels ook een kleurring en een wetenschappelijke ring aan de poten. De wetenschappelijke ring is een aluminium ring die vooral voor onderzoekers belangrijk is en die ook na de dood van de vogel teruggevonden kan worden. De kleurring is een ring met grote cijfers en letters die van veraf zichtbaar zijn. “Wanneer birdwatchers de geringde vogels door hun verrekijker zien, kunnen ze vaak de letters en cijfers goed aflezen. Bezorgen ze ons dan die informatie, dan kunnen wij goed opvolgen waar en wanneer de lepelaars gezien werden.”

Wetenschappelijke ring (foto INBO)

Van de vijf jonge vogels die in 2022 een zender kregen werden, leven er nog vier. “Dat is op zich goed nieuws. Een overleving van 80 procent is echt wel goed, zeker omdat het hier gaat om jonge vogels.” Het onderzoek naar de vogels van 2022 toont aan dat de jonge lepelaars ondertussen niet meer in Verrebroek verblijven. Ze zijn uitgeweken en zitten momenteel in Nederland (1), in Frankrijk (2) en in Spanje (1). “Maar we weten aan de hand van de kleurringen en wetenschappelijke ringen die we hier sinds 2003 aanbrengen, dat de plaatstrouw van jonge vogels vrij groot is. Eens ze matuur zijn, na 3 tot 4 jaar, keren ze vaak terug naar de kolonie waar ze opgroeiden”, vertelt Spanoghe.

En als de jonge vogels terugkeren naar de Verrebroekse kolonie zodra ze adulten zijn, dan worden dat bijzonder interessante vogels voor onderzoek. Ze kunnen namelijk zelf gaan broeden en zijn al vanaf eind februari in de Verrebroekse plassen aanwezig. “De gezenderde dieren zijn dan zelf ouders geworden en we kunnen dan bestuderen hoe ze hun jongen op sleeptouw nemen, naar gebieden stroomopwaarts of stroomafwaarts om te foerageren”, vertelt Spanoghe.

En ook al gaat het maar om 5 gezenderde individuen per jaar, de informatie die we over hen vergaren kan geëxtrapoleerd worden naar de populatie omdat lepelaars in groepsverband leven. “We hopen echt een paar prangende vragen op te lossen, zoals: waar vliegen ze naartoe na het broedseizoen en tijdens het broedseizoen? In hoeverre zijn ze aan hun kolonie gebonden? Waar gaan ze foerageren?”, aldus Spanoghe.

Gezenderde lepelaar (foto INBO)

Advies geven

Behalve voor het vergaren van belangrijk informatie over de leefwijze van de lepelaars, worden de zenders ook ingezet voor het formuleren van adviezen. “We kunnen bijvoorbeeld gefundeerde uitspraken doen over waar idealiter nieuwe hoogspanningstracés komen. Of we kunnen aangeven wanneer de windmolens beter wel of beter niet gaan draaien. Dankzij het zenderonderzoek kunnen we de overheid, zoals het Agentschap Natuur en Bos, degelijk advies geven. Tot nu tastten we eigenlijk een beetje in het duister als het over de lepelaars in de Antwerpse haven ging. Heel veel was nog hypothetisch, maar dankzij de informatie die de jonge gezenderde vogels ons leveren, zullen we ons advies veel beter kunnen staven”, aldus Spanoghe.